Imamopleiding speelde geen enkele rol bij Utrechtse affaire

Op 16 juni plaatsten we hier een kort attenderend berichtje over de Utrechtse affaire rond de afscheidsrede van Pieter W. van der Horst. Onder verwijzing naar een artikel in het Reformatorisch Dagblad kwam daarbij ook een mogelijk verband met het aantrekken van een imamopleiding aan de orde. Het was een verband dat ook in andere dagbladen als Trouw en NRC Handelsblad werd gelegd.

De vakdecaan van de subfaculteit theologie, Willemien Otten, deelt ons echter mee dat de faculteit geesteswetenschappen, waar godgeleerdheid deel van uit maakt, op geen enkele wijze bezig is met een imamopleiding. De faculteit heeft, deelt zij ons mee, in de zomer van 2005 wel meegedaan aan een call voor een pilotprogramma voor een imamopleiding die was uitgegaan van de minister voor vreemdelingenzaken en integratie. De Islamitische Universiteit Rotterdam respondeerde daarop en de faculteit had zich daarbij aangesloten. Otten vervolgt: “Najaar 2005 is er een verzoek uitgegaan vanwege het ministerie van OC&W aan de universiteiten om plannen voor een imamopleiding in te dienen. De Universiteit Utrecht c.q. onze subfaculteit heeft echter geen plan ingediend, volgens mij bijna als enige klassieke universiteit in Nederland. Bij ons ligt de zaak met andere woorden al een jaar stil."

Een afscheid in Utrecht

20060616horst Pieter W. van der Horst, hoogleraar in Utrecht - leergebied: de vroegchristelijke letterkunde en het Joodse en Hellenitische milieu van het vroege Christendom - heeft op advies van de rector W.H. Gispen passages geschrapt in zijn afscheidsrede. Hij ging in zijn rede in op de wortels van de mythe van het Joods kannibalisme.

Volgens Van der Horst is de mythe dat joden menseneters zijn nog steeds erg populair in de Arabische wereld. Van der Horst stelde dat er door islamitische wetenschappers weinig tegen de mythe wordt gedaan. De Universiteit van Utrecht vond die opmerkingen onwetenschappelijk. Een officieel argument was dat de rector „grote veiligheidsproblemen” vreesde. De decaan W. Otten zei dat Van der Horst de pogingen om moslims en niet-moslims nader tot elkaar te brengen, grote schade zou berokkenen, zo meldde het Reformatorisch Dagblad vanmiddag. De decaan stelde dat de Universiteit Utrecht in gesprek was om de imamopleiding naar de universiteit te halen. „Dat kunnen we dan wel vergeten.” Van der Horst heeft de passages onder protest geschrapt.

Ter gelegenheid van het afscheid van Van der Horst vond er vandaag en gisteren een internationaal symposium plaats. De titel van de bijdrage van Van der Horst luidt: De mythe van het joodse kannibalisme. Meer in de rubriek Nieuws elders

Naschrift: de drie zinnen in dit bericht over een mogelijk verband met een imamopleiding blijken niet te kloppen: zie de afzonderlijke rechtzetting.

Protestantenlexicon voltooid

Blgpn Theologie is, zoals bekend, antropologie. Er is geen tak van geleerdheid waarin het zozeer om mensen draait als in de theologie. En er is geen instelling waarin zo veelvuldig over mensen gesproken wordt als de kerk.

Op maandag 19 juni 2006 wordt in Kampen het zesde en laatste deel van het Biografisch Lexicon voor de Geschiedenis van het Nederlands Protestantisme gepresenteerd. Het symposium dat daarbij georganiseerd wordt, heet Veertig jaar biografisch lexicon: een evaluatie. In 1967 begon het werk, maar pas in 1978 zal het de meeste mensen zijn opgevallen, want toen verscheen het eerste deel. De volgende delen verschenen in 1983, 1988, 1998 en 2001.

Aart de Groot, Jacob van Sluis en Jan Wim Buisman voerden achtereenvolgens het redactiesecretariaat en alle drie zullen ze dan ook spreken bij de presentatie. Terwijl De Groot zelfs teruggaat tot voor de voorganger, het onvoltooide Biografisch Woordenboek van Protestantse Godgeleerden van J. P. de Bie en J. Loosjes dat begin twintigste eeuw begon, en het over “De legger van Schotel” gaat hebben - het zal wel gaan om Gilles Dionysius Jacobus Schotel (1807-1892) -, zet zijn opvolger Jacob van Sluis juist in bij het andere uiterste; hij zal het hebben over "Heden en toekomst: digitalisering van het Lexicon?"

Hij snijdt dat daarbij een onderwerp aan waarover Buisman een duidelijke mening heeft. In het Reformatorisch Dagblad van dinsdag 13 juni betoont die zich immers een voorstander van een digitale voortzetting. “Het voordeel van deze werkwijze is dat je voortdurend nieuwe gegevens kunt toevoegen en foto’s of zelfs geluidsfragmenten erbij kunt plaatsen. Na veertig jaar lexicon is er meer recente literatuur verschenen over personen. Je kunt de artikelen dan verder actualiseren.”

Hoewel kerkgeschiedenis in werkelijkheid vooral vrouwengeschiedenis is, wordt ze vooral als mannengeschiedenis bedreven. Dat is ook de organisatoren niet ontgaan, want Mineke Bosch zal het onderwerp "De ondervertegenwoordiging van vrouwen in biografische woordenboeken" in haar lezing aan de orde stellen. Ook de buitenwereld wordt niet vergeten. Bob Reinalda gaat de biografische woordenboeken van protestanten en socialisten – vanouds in Nederland meestal overigens ook protestanten – vergelijken, terwijl Herman Langeveld het over de dominees en de Doorbraak gaat hebben.

Meer ...


Jonge Bram

20060606vreeii_2

Op zesendertigjarige leeftijd ging ds A. Kuyper met emeritaat. Bijna elf jaar was de gepromoveerde kerkhistoricus gemeentepredikant geweest. Op 8 juni 1863 was de toen vijfentwintigjarige theoloog bevestigd in het Betuwse dorpje Beesd. Hij was net dertig geworden toen hij in 1867 intrede deed in Utrecht en nog geen drie jaar later zou hij een beroep aannemen naar de belangrijkste hervormde gemeente van Nederland, die van Amsterdam. Op 20 maart 1874 werd dr Abraham Kuyper lid van de Tweede Kamer. Nooit zou hij meer een gemeente bedienen, maar de theologie zou hij blijven beoefenen, vanaf 1880 onder meer als hoogleraar aan de Vrije Universiteit.

Kuyper blijft de gemoederen bezig houden. Verscheen drie weken geleden Abraham Kuyper. Een biografie van de hand van Jeroen Koch, op woensdag 7 juni 2006 presenteert dr Jasper Vree een omvangrijke studie van 424 bladzijden over de jonge Kuyper: Kuyper in de kiem. De precalvinistische periode van Abraham Kuyper, 1848-1874 (Hilversum, Verloren, 2006). Het boek wordt aangeboden op een symposium dat georganiseerd wordt ter gelegenheid van het afscheid van Vree als docent Nederlandse kerkgeschiedenis aan de Vrije Universiteit.

Vree heeft de afgelopen decennia meticuleus de ontwikkelingsgang van de jonge Kuyper gereconstrueerd. Afgelopen jaar bezorgde hij met dr Han Zwaan de Commentatio, de prijsvraag over het kerkbegrip bij Jean Cauvin en Jan Laski, waarop de jonge theologiestudent in 1860 een belangrijke Groningse prijsvraag won. Vree ontdekte dat Kuyper toen al, enkele jaren voor hij zich tot de orthodoxie zou wenden, een kerkmodel ontwierp waarin niet het instituut centraal stond, maar het organisme van door de Geest geleide gelovigen. De ideale kerk was in Kuypers ogen sociaal, democratisch en financieel onafhankelijk van de staat. Veel oog had hij voor de rechten van vrouwelijke lidmaten. Als de kerk beter zou functioneren in de samenleving, zou de rol van de staat als behoeder van de humaniteit minder kunnen worden. In zekere zin kan men zeggen dat Jasper Vree de betekenis van Kuypers bekering ontmythologiseerd heeft. Misschien niet wat betreft het belang voor diens dadendrang, maar wel wat betreft de hoofdlijnen van zijn denken, want die waren zich al aan het vormen.

Overigens ziet Vree niet alleen continuïteit. Er was wel veel in de kiem, maar Kuyper ontwikkelde in interactie met de vragen van de tijd ook steeds. Pas in 1873, een jaar of acht na zijn overgang tot een meer orthodoxe geloofsbeleving, ontdekte Kuyper volgens Vree pas echt het internationale Calvinisme als bron van inspiratie.

Jasper Vree (1943) geldt als een van de pioniers van de historische Kuyper-studie. Tot in de jaren vijftig of zestig werd Kuypers denken door zijn volgelingen vaak als een monolithisch geheel gezien, waarbij men uit alle mogelijke jaren elementen kon plukken om Kuypers visie op een bepaald onderwerp te schetsen. Jasper Vree bedacht echter dat je Kuypers ideeën beter heel nauwkeurig in hun historische context kunt bestuderen. Kuyper was iemand die vanuit een vaste grondhouding op de uitdaging van de actualiteit reageerde en naar eigen zeggen niet altijd even goed thuis was in zijn eigen oeuvre.

Jasper Vree promoveerde in 1984 op een studie over De Groninger godgeleerden. De oorsprongen en de eerste periode van hun optreden (1820-1843) (Kampen, Kok, 1984). In het register van dat werk kwam Kuyper nog niet voor. Het symposium bij zijn afscheid heeft dan ook betrekking op de gehele Nederlandse kerkgeschiedenis van de negentiende eeuw. Aart de Groot, Frits Broeyer en George Harinck zullen dan ook Vrees werkzaamheden inzake verschillende perioden en thema’s van de negentiende eeuw belichten.

Meer…

Traditionele, moderne en belijdende remonstranten

In de decennia na het midden van de negentiende eeuw maakte de Remonstrantse Broederschap een opmerkelijke ontwikkeling door. In feite vond het kerkgenootschap zich opnieuw uit. In 1850 telde de Remonstrantse Broederschap nog geen drieduizend leden: het overblijfsel van de rekkelijke, arminiaanse groep die door het optreden van de beroemde nationale Dordtse Synode van 1618-19 buiten de publieke gereformeerde kerk was geraakt. In het midden van de negentiende eeuw kon men de Broederschap nog steeds zien als een "verstoten kind" van de Nederlandse Hervormde Kerk.

Rond 1880 had de Broederschap een enorme metamorfose ondergaan. De remonstranten vormden nu een modern en vrijzinnig kerkgenootschap, kritisch ten opzichte van bijbel, dogma's en kerkelijke vormen. Hervormde vrijzinnigen die zich in hun kerk niet langer thuis voelden, voegden zich bij de remonstranten. In onder meer Arnhem en Groningen ontstonden nieuwe remonstrantse gemeenten. In 1920 telde de Broederschap twintigduizend leden.

Onder C.P. Tiele (1830-1902), hoogleraar aan het Remonstrantse Seminarium én de eerste hoogleraar in de vergelijkende godsdienstwetenschappen in Leiden, werd de Broederschap zeer vrijzinnig. Op sommige plaatsen werden doop en avondmaal afgeschaft. Maar als reactie op deze zeer moderne koers kwam er onder G.J. Heering (1879-1955) weer een koerswijziging waarbij de Broederschap weer 'orthodoxer' werd en een meer belijdende koers ging varen, die er in 1948 zelfs toe zou leiden dat de kerk aansluiting zou zoeken bij de Wereldraad van Kerken.

Over de negentig jaar tussen 1850 en 1940 waarin de Remonstrantse Broederschap enkele opvallende veranderingen doormaakte, schreef Tjaard Barnard, als predikant verbonden aan de remonstrantse gemeente te Rotterdam, het boek Van Verstoten Kind tot Belijdende Kerk, waarop hij op woensdag 24 mei in Leiden promoveerde. Op vrijdag 2 juni wordt het in Rotterdam op een publieke bijeenkomst gepresenteerd.

Meer ...

"Nederlands met een Somalisch accent"

"De taal van een libertijns pamflet - Nederlands met een Somalisch accent", zo karakteriseert de historicus A.Th. van Deursen de biografie over Abraham Kuyper die vanaf morgen in de boekhandel ligt. Donderdag wordt een exemplaar aan premier Balkenende aangeboden. In het Reformatorisch Dagblad schrijft Van Deursen dat de auteur Jeroen Koch weliswaar de leeftijd heeft om een biografie over de gereformeerde voorman te schrijven, maar dat het hem aan inlevingsvermogen ontbreekt. Hij verwijt Koch dat hij te veel oordeelt en te weinig op de hoogte is van de bronnen en hoe die te interpreteren in relatie tot de vent, zijn vorm en de geloofsachtergrond van zijn aanhang. Elders in het RD staat een interview met Koch.
De Utrechtse historicus Jeroen Koch kreeg zes jaar jaren geleden van een sponsor - de stichting Dr. Abraham Kuyperfonds - de opdracht een biografie over Kuyper te schrijven. Op maandagmiddag 22 mei organiseert het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme (1800-heden) een congres naar aanleiding van de verschijning van de biografie. Sprekers zijn onder meer Herman Langeveld, Henk te Velde en Jasper Vree. Jeroen Koch geeft daarna zijn reactie. Tijd voor polemiek dus, al dan niet met een Somalisch accent. Niet iets dat Abraham Kuyper verafschuwde. Hetzelfde geldt trouwens voor veel andere erflaters uit de negentiende eeuw. Maar dit terzijde. Meer...



Aanvulling 18 mei: Nederlands Dagblad: 'Biografie Kuyper is wèl acceptabel'. Schutte en Harinck over de Kuyper-biografie van Jeroen Koch.

Zonder vrouw géén kerk- of religiegeschiedenis

De Vereniging voor Nederlandse Kerkgeschiedenis hield afgelopen zaterdag in de Utrechtse Janskerk een drukbezocht voorjaarscongres over het thema 'Religie versus kerk'
Aanleiding was de verschijning van het Handboek Nederlandse Kerkgeschiedenis onder redactie van Herman J. Selderhuis, hoogleraar kerkgeschiedenis aan de Theologische Universiteit van Apeldoorn. Bovendien verscheen afgelopen week een tweede druk van de Nederlandse Religiegeschiedenis van Joris van Eijnatten en Fred van Lieburg, beiden verbonden aan de Vrije Universiteit. Het eerste exemplaar van het Handboek werd aangeboden aan prof. dr Otto J. de Jong. Daarna kregen auteurs van de handboeken - Van Lieburg en Selderhuis - de gelegenheid hun beider concept uiteen te zetten.
Een zevental wetenschappers gaf commentaar op de opzet en methodiek van de twee handboeken. De reacties waren verschillend. Enerzijds was men blij met de oogst van de afgelopen jaren, maar kritiek werd bepaald niet onder stoelen of banken gestoken. Het commentaar op het Handboek had vooral betrekking op de interne samenhang, de historiografische inbedding en de gehanteerde periodisering (stellingen). De historica Jo Spaans miste in beide boeken de gendering van de godsdienstige beleving: zonder vrouw geen geschiedenis, laat staan een kerk- of religiegeschiedenis. Alternatieve concepten en ideeën voor toekomstige programma's werden overigens niet geschuwd. Zo meende de socioloog Durk Hak dat het tijd was voor een geschiedenis en periodisering vanuit het perspectief van het dominante godsbeeld.
Het schrijven van een handboek is een ondankbare taak, zo werd meerdere malen opgemerkt. Die taak wordt aanzienlijk bemoeilijkt als er binnen een team geen duidelijke en consistente visie is over de methodologie. De term 'kerkgeschiedenis' heeft een beperkte reikwijdte en vraagt om duidelijke keuzes. Kerkengeschiedenis past wellicht meer bij een sterk institutionele aanpak. Maar dit woord is weinig fraai. Bovendien blijven dan tal van religieus interessante fenomenen buiten beschouwing. De religiegeschiedenis heeft duidelijk de wind mee en biedt inhoudelijk en qua aanpak de mogelijkheid nieuwe religieuze bewegingen te beschrijven en te duiden. De verschijning van de twee handboeken is op zichzelf al een 'teken des tijds'. Het opnieuw ingezette debat kan niet alleen de voortgang, maar ook de vooruitgang van de kerk- dan wel religiegeschiedenis dienen. Meer...

Religie versus kerk? Twee historische handboeken

Er is een nieuw Handboek Nederlandse Kerkgeschiedenis op komst. Op zaterdag 13 mei zal het gepresenteerd worden op een groot congres over religieuze geschiedschrijving in de Janskerk in Utrecht dat georganiseerd wordt door de Vereniging voor Nederlandse Kerkgeschiedenis. Het nieuwe overzicht van de Nederlandse kerkgeschiedenis, dat ongeveer 900 bladzijden zal tellen, staat onder redactie van Herman Selderhuis, hoogleraar kerkgeschiedenis aan de Theologische Universiteit Apeldoorn. Het boek zal verschijnen bij uitgeverij Kok in Kampen. Aan het handboek werken verder zeven gerenommeerde kerkhistorici mee: Paul Abels, Willem van Asselt, Aart de Groot, George Harinck, Peter Nissen, Frank van der Pol en Lodewijk Winkeler. De auteurs zijn onder meer verbonden aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, de Theologische Universiteit Kampen, de Radboud Universiteit Nijmegen en de Universiteit Utrecht. Het eerste exemplaar van het nieuwe boek zal in ontvangst worden genomen door de Utrechtse emeritus-hoogleraar Otto de Jong, die in 1972 zijn Nederlandse Kerkgeschiedenis presenteerde, een boek dat meer dan dertig jaar op vele historische en theologische opleidingen werd gebruikt.
Omdat vorig jaar ook al een handboek met een andere opzet verscheen, de Nederlandse Religiegeschiedenis (Hilversum, Verloren, 2005) van de hand van Joris van Eijnatten en Fred van Lieburg, heeft de Vereniging voor Nederlandse Kerkgeschiedenis, het landelijk platform voor alle geïnteresseerden in de religieuze geschiedenis van Nederland, besloten een congres onder voorzitterschap van Mirjam de Baar (Rijksuniversiteit Groningen) te beleggen, waarop beide benaderingen vergeleken worden onder de titel Religie versus kerk? Twee historische handboeken.
Fred van Lieburg, hoogleraar geschiedenis van het Nederlands protestantisme aan de Vrije Universiteit, en Herman Selderhuis zullen het concept van hun beider boeken belichten. En vervolgens zullen zes deskundigen, Durk Hak, Gerard den Hertog, Jan Jacobs, Willemien Otten, Arie Molendijk en Jo Spaans, afkomstig van vier universiteiten - Theologische Universiteit Apeldoorn, Rijksuniversiteit Groningen, Universiteit Utrecht, Universiteit van Tilburg - vanuit onderscheiden perspectieven een vergelijkend commentaar op de twee boeken geven. Niet alleen komen daarbij verschillende historische tijdvakken - middeleeuwen, vroegmoderne tijd, de laatste eeuwen - aan bod, maar ook diverse wetenschappelijke disciplines: ideeëngeschiedenis, maatschappijgeschiedenis en algemene geschiedenis, maar ook antropologie, sociologie en filosofie. Veel ruimte wordt ingeruimd voor onderling debat.
Het congres is gratis toegankelijk voor alle belangstellenden. Het nieuwe Handboek Nederlandse Kerkgeschiedenis zal tegen een introductieprijs te koop zijn.
De Vereniging voor Nederlandse Kerkgeschiedenis organiseert het congres Religie versus kerk? Twee historische handboeken in samenwerking met de Vereniging voor Christen-Historici, Theologische Universiteit Apeldoorn, Faculteit der Godgeleerdheid en Godsdienstwetenschap van de Rijksuniversiteit Groningen, Subfaculteit Theologie van de Universiteit Utrecht, Instituut voor Reformatieonderzoek te Apeldoorn en uitgeverij Kok Ten Have te Kampen
Meer...

Kuyper en Princeton

Het Kuyper Centrum aan Princeton Theological Seminary verwierf recent 17.000 banden uit de verzameling Kuyperiana van de historicus George Puchinger (1921-1999). De verzameling maakt deel uit van het Abraham Kuyper Center of Public Theology. Abraham Kuyper ontving in 1898 een eredoctoraat aan de universiteit van Princeton waar hij onder meer de Stone lezingen verzorgde.
Op de website van het centrum is ook een digitale bibliografie rond Kuyper beschikbaar. Bovendien zijn enkele Engelse vertalingen van het werk van Kuyper in full-text versie beschikbaar. Naast de bibliografie en de vertalingen staan er artikelen over Kuyper op de website. Onder meer van de hand van George Harinck over de relatie van Kuyper tot Zuidafrika. Hij verbleef in 2002 aan het Theological Seminary. Voor studenten van buiten de Verenigde Staten is voor de cursus 2006-2007 de 'George Puchinger Grant' ingesteld.

Nieuwste nummer TNK

In het nieuwste nummer van het Tijdschrift voor Nederlandse Kerkgeschiedenis reconstrueert Joep van Gennip met behulp van teruggevonden brieven het leven van de Friese pater Joannes Metz S.J. (1808-1841). Hij geeft daarmee een contextueel biografisch portret van een Nederlandse jezuïet uit de eerste helft van de negentiende eeuw. Het artikel geeft zicht op scholing, motieven tot intrede en werkzaamheden van de pater.
Enne Koops beschrijft de motieven en oorzaken van de gereformeerde exodus naar Noord-Amerika (1946-1963). Het economische motief was niet onbelangrijk. De gereformeerden kenden een levendige emigratietraditie. Populaire boeken als van Van Risseeuw en Van Reest refereren daar aan. Bovendien stimuleerde de neocalvinistische cultuurvisie de gereformeerden in hun emigratieplannen, zo meent Koops.
Guus Bary geeft zijn bevindingen weer die hij opdeed in een congres rondom het beheer en behoud van kerkelijke archieven. Tijdens het congres stond de vraag naar de verantwoordelijkheid van kerk, overheid en onderzoeksinstituten centraal. Bary acht het waarschijnlijk dat er in menige parochie nog veel ongeordend archivalisch materiaal ligt en roept op tot samenwerking in organisatie en beheer.

Judas, Kaïn, Ucke Walles en het Judasevangelie

In Washington werd donderdag het Evangelie naar Judas openbaar gemaakt. Het gaat om een koptische tekst uit de derde eeuw waarin Judas niet als verrader van Jezus, maar als medewerker van het goddelijke plan wordt voorgesteld. Er zijn enkele deskundigen die de tekst onder ogen hebben gehad, waaronder Hans van Oort, hoogleraar patristiek en gnostiek aan de Radbouduniversiteit te Nijmegen. In een artkel in Trouw stelt hij dat de tekst uit de gnostieke traditie afkomstig is. Judas komt daarin naar voren als redder van Jezus doordat hij hem van zijn uiterlijke gevangenis - het lichaam - bevrijdde. Volgens kenners is het gevonden manuscript een vertaling van een Grieks origineel dat van vóór het jaar 180 stamt. De desbetreffende gnostische tekst werd door bisschop Irenaeus (130-ca. 202) in zijn boek 'Tegen de ketterijen' bestreden (hoofdstuk 31).
In de Nederlandse religiegeschiedenis speelde de idee van Judas als redder van het het heilsplan een rol bij Ucke Walles (1583-1653). Walles was een doopsgezind leraar uit Groningen, voorman van de stroming van Uckowallisten. Hij stelde dat Judas geen onvergeeflijke zonde had begaan, daar Jezus' dood nodig was voor het leven en de zaligheid van zijn volgelingen. Het leidde tot veel beroering in Groningen, waarna Walles verbannen werd. De negentiende eeuwse historicus Steven Blaupot ten Cate bracht het gedachtegoed van Ucke Walles in verband met de Kaïnieten binnen wier gelederen het evangelie naar Judas functioneerde en mogelijk zelfs geschreven zou zijn. De gnostische stroming der Kaïniten vereerden Kaïn en Judas. Hun daden werd geïnterpreteerd als een verzet tegen de kwade Schepper-God. Judas was volgens hen de volvoerder van het goddelijk plan en oorzaak van de reddende kruisdood van Jezus.
Uit latere gevonden stukken rondom Ucke Walles kan geen empirische relatie tussen de gnostische Kaïniten en Ucke Walles worden aangetoond. We weten ook niet of Walles de geschriften van Irenaeus kende. Wel hing Walles de doopleer van Menno Simons en Dirk Philips aan. De idee is dat "Christus' mensheid door de Heilige Geest van God afkomstig was en uit Maria was geboren zonder vlees van haar aangenomen te hebben", zo stelde Sjouke Voolstra in zijn dissertatie (Het Woord is vlees geworden). Deze niet eenvoudige zin zou men kunnen interpreteren als een uiting van de idee dat het lichaam een kerker is van het goddelijke. De overeenkomst in gedachtegoed tussen de gnostische Kaïniten en de ideeën van Walles zegt niet zoveel over feitelijke beïnvloeding.
Hoe het zit met de relatie tussen Kaïniten en het Judasevangelie is nog niet helder. Hans van Oort betwijfelt de herkomst van het Judasevangelie uit de kring der Kaïniten. Hij wijst er in dit verband op dat het woord 'Kaïn' niet in de gevonden tekst voorkomt. Zondag 9 april wijdt het kanaal National Geographic een speciale uitzending over 'The lost Gospel of Judas'. Meer in Trouw.

Dordt in Dordrecht

Een jaar of twintig, vijfentwintig geleden beschreef A.J. Klei in het dagblad Trouw eens hoe enkele Amerikaanse toeristen bij de VVV in Dordrecht informeerden naar de plaats waar in 1618/19 de Nationale Synode van Dordrecht was gehouden. De medewerkster achter de balie bleek van niets te weten; ze had geen idee wat de Dordtse Synode was. Ze kon de Amerikanen dus ook niet vertellen dat de Kloveniersdoelen, waar de grote internationale theologenvergadering tussen november 1618 en mei 1619 werd gehouden, al in 1857 was afgebroken.
Het verhaal lijkt typerend voor de vreemde combinatie van aanhoudende buitenlandse belangstelling en langdurige Nederlandse onverschilligheid ten aanzien van de roemruchte kerkvergadering. Nog steeds worden overal in de wereld in gereformeerde kerken de Dordtse Leerregels gebruikt. En omdat Nederland nu eenmaal bekend is vanwege zijn tulpen, wordt de inhoud van de Canons of Dordt (of Dort) gememoriseerd met behulp van het acroniem TULIP: Total depravity, Unconditional election, Limited atonement, Irresistible grace, Perseverance of the saints. Ze staan ook wel bekend als de zogenaamde Five Points of Calvinism.
Maar ook de partij die in Dordrecht veroordeeld werd en die de vijf punten oorspronkelijk, maar dan omgekeerd formuleerde, heeft in de Engelstalige wereld tot op de dag van vandaag een grote naam. Niet alleen speelde het arminianisme sinds de zeventiende eeuw een grote rol in de Kerk van Engeland, het achttiende-eeuwse methodisme beschouwde zich voluit als een erfgenaam van het arminianisme. En via diverse opeenvolgende opwekkingsbewegingen vormt het arminianisme vandaag de dag nog de ruggegraat van de evangelikale beweging. Het is niet overdreven om te stellen dat een groot deel van de Amerikaanse en mondiale protestantse kerkelijke wereld volgens de scheidslijnen van Dordt kunnen worden ingedeeld.
Ligt in de internationale perceptie de nadruk op de leerverschillen, de ongemakkelijke Nederlandse omgang met de Dordtse Synode kan verklaard worden uit de verwevenheid van religie en politiek - én uit de liberale mythe die de Nederlandse historiografie zolang beheerst heeft. Een week nadat de Dordtse Leerregels plechtig werden afgekondigd in de Grote Kerk in Dordrecht, betrad Johan van Oldenbarnevelt op het Haagse Binnenhof het schavot. Terwijl Dordrecht de bezegeling was van een religieus-politieke orde, waarin kerk noch staat met elkaar wilden samenvallen - waaruit als onbedoeld, maar noodzakelijk bijeffect de beroemde Nederlandse pluraliteit voortvloeide -, werd vanuit negentiende-eeuws liberaal gezichtspunt vaak de nadruk gelegd op de intransigentie van de overwinnende contraremonstrantse partij, waarbij gemakshalve de fanaticiteit die de remonstrantse minderheid en hun politieke bondgenoten in de voorgaande jaren hadden tentoongespreid, maar vergeten werd. Maar in het (ondenkbare) geval dat de Oldenbarneveltse partij wel gewonnen zou hebben, zou de tegenwoordige tot mythische proporties opgeblazen tolerantie van de Nederlandse Republiek uiteraard in de kiem zijn gesmoord.
Uiteraard had de orthodox-gereformeerde minderheid die zich in de negentiende eeuw herorganiseerde, een veel positiever beeld van Dordt, maar dan ging het vooral om een algemeen, onderscheidend beroep op de zogenaamde "drie formulieren van eenheid", want in het alledaagse geloofsleven draaide het minder om de inhoud van de twee van die van die documenten; alleen de Catechismus van Heidelberg leefde echt. En bovendien had een groot deel van de gereformeerde orthodoxie juist grote moeite met de wijze waarop juist de politiek de contraremonstrantse meerderheid de overwinning verschaft had.
Ondertussen is er wel het een en ander veranderd. In Dordrecht weet men inmiddels weer wat de beroemde synode was. Bij de plaatselijke VVV-shop (en elders) kan men tegenwoordig een fraaie brochure over De Dordtse Synode 1618-1619 van de hand van Fred van Lieburg kopen. Naar verluidt is dit eerste deel uit de serie Verhalen van Dordrecht een absolute bestseller en wordt de in Dordrecht woonachtige auteur zelfs tegenwoordig op straat herkend. Gebleven is de overwegende buitenlandse belangstelling voor de synode.
Beide elementen komen goed samen op de internationale conferentie over de synode die Fred van Lieburg, hoogleraar geschiedenis van het Nederlandse protestantisme aan de Amsterdamse Vrije Universiteit, en Aza Goudriaan, als filosofiehistoricus verbonden aan de faculteit wijsbegeerte van de Erasmus Universiteit Rotterdam, deze week organiseren in het Hof in Dordrecht, niet ver van de Doelstraat waar de synode bijeenkwam. Zeven van de dertien sprekers die donderdag 6 en vrijdag 7 april hun licht laten schijnen over verschillende aspecten van de synode komen van buiten Nederland. En de aanleiding voor deze tussentijdse opmaat voor de grootscheepse herdenking die ons over een dozijn jaren ongetwijfeld te wachten staat, wordt gevormd door de bronnenpublicatie over The British Delegation and the Synod of Dort, 1618-19, die de
die de aanwezig Engelse historicus Anthony Milton, verbonden aan de University of Sheffield, vorig jaar verzorgde.
Meer...

Erasmus: make love not war

"Terwijl mijn liefde voor jou steeds zo geweest is en nog altijd is, vriend Servatius, dat jij mij meer waard bent dan deze mijn ogen, mijn ziel, ja ikzelf, wat is het dan toch, dat jou zo onverbiddelijk maakt, dat jij niet alleen geen liefde koestert voor de man die je bovenmatig liefheeft, maar hem zelfs nauwelijks op prijs schijnt te stellen?" Het zat de jonge monnik Erasmus niet mee. Servatius liet hem een blauwtje lopen. "Hoe moet ik dit nu noemen, beste Servatius", vroeg Erasmus even verderop in dezelfde brief uit 1487 vertwijfeld, "hardheid, koppigheid, trots of halsstarrigheid? Of ben je zoals sommige koppige meisjes zijn en heb je er plezier in dat ik gepijnigd wordt, bezorgt het verdriet van je vriend je vreugde en wekken zijn tranen jouw lachlust?" Het werd niets tussen die twee en in 1493, een jaar na zijn priesterwijding, greep Erasmus de kans om secretaris van de bisschop van Kamerrijk te worden dan ook met beide handen aan. Nooit zou hij terugkeren naar het augustijnerklooster te Stein bij Gouda (zie afbeelding), waar Servatius achterbleef.
Erasmus staat deze week in het middelpunt aan de beide universiteiten die zijn nagedachtenis in ere houden. Aan de Nijmeegse universiteit, die wel een imposant Erasmusgebouw aan het Erasmusplein heeft, maar te laat was met zich naar de grootste katholieke theoloog van Nederlandse bodem te vernoemen en daarom nu bescheiden naar de onbekende Radboud verwijst, promoveert donderdag Irma Eltink op Duitse Erasmus-vertalingen. En vrijdag inaugureert Hans Trapman in Rotterdam, aan de universiteit die de naam bijtijds claimde, over enkele van de meer dan zevenhonderd zeventiende-eeuwse Erasmus-uitgaven. Beiden behandelen dus de wijze waarop de ideeën van de beroemdste Nederlandse godgeleerde lang na zijn dood onder de aandacht bleven.
Trapman gaat het ondermeer hebben over de Vita Erasmi, het Leven van Erasmus, dat in 1607 voor het eerst werd uitgegeven. Het boekje bestaat uit een verzameling biografisch materiaal, dat gevolgd wordt door ruim tachtig brieven. Daaronder waren ook enkele brieven die Erasmus aan Servatius schreef. Maar in de herziene druk van 1615 werden die schielijk door andere brieven vervangen. Wel bleef een latere brief opgenomen waarin Erasmus aan Servatius, die inmiddels prior van het klooster was geworden, uitlegt waarom hij weigert terug te keren. Die brief bevat ook autobiografische elementen. Erasmus schrijft bijvoorbeeld hij dat hij in zijn jonge jaren - in hedendaagse bewoordingen - 'tot wellust geneigd' was. In de zeventiende eeuw liet men Erasmus op grond van een minder betrouwbare Latijnse tekst zeggen dat hij in zijn jeugd 'door wellust bezoedeld' was. Trapman zal uitleggen hoe deze kritische brief geheel paste in het humanistisch-protestantse klimaat van de 17e eeuw.
Irma Eltink bekeek alle zestiende- en zeventiende-eeuwse Duitse vertalingen van Erasmus' bekendste twee geschriften over oorlog en vrede, het adagium Dulce bellum inexpertis en de Querela pacis. Ze plaatste de vertalingen in hun politieke historische context. Op die manier probeert ze inzichtelijk te maken hoe Erasmus opvattingen destijds werden opgepakt en gebruikt. Niet alle vertalers gaven de teksten neutraal door. Sommigen maakten er een politiek statement van.
Johannes Trapman (1944) aanvaardt met zijn rede het ambt van bijzonder hoogleraar Cultuurgeschiedenis, in het bijzonder van de intellectuele geschiedenis van de late vijftiende tot de late zeventiende eeuw, vanwege de Dr. Elie van Rijckevorsel Stichting. Omdat de Erasmus Universiteit, haar naamgever ten spijt, geen literaire faculteit kent, vindt de benoeming plaats in de Faculteit der Historische en Kunstwetenschappen. Hans Trapman is sinds 1979 als wetenschappelijk medewerker verbonden aan het Constantijn Huygens Instituut van de KNAW. Als secretaris van het Conseil International pour l'édition des oeuvres complètes d'Erasme zit hij als een spin in het web van het internationale gezelschap van Erasmus-kenners. Hij volgt Jan van Herwaarden op, die vorig jaar met emeritaat ging.
Irma Eltink (1969) studeerde Duitse taal- en letterkunde aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Ze was docent Duits op diverse scholen en werkte als bibliothecaris in het Kruisherenkklooster te St. Agatha. Momenteel werkt ze als docent Duits op de Radboud Universiteit en als reisleider voor culturele vakanties.
Meer...

Religiegeschiedenis bij de VPRO

Op één van de geschiedenispagina's van de VPRO staat een verzameling met video- en audiofragmenten over de Nederlandse religiegeschiedenis.
Het gaat vooral om fragmenten uit het radioprogramma OVT dat op de zondagmorgen wordt uitgezonden. David Bos wordt geïnterviewd over Busken Huet, Herman Selderhuis over Calvijn en de NRC-columniste en dichteres Marjoleine de Vos licht de luisteraar in over het 'Protestants eten'. Paul Abels en Johan Decavele spreken over de geschiedenis van het protestantisme in de Lage Landen. En zo is er meer....

MVG belicht mormoonse geschiedenis in Nederland

In de vroege zomer van 1841 zette de Amerikaan Orson Hyde na een boottocht vanuit Engeland, waarop hij als nooit tevoren zeeziek was geworden, voet aan wal in Rotterdam. Hyde was onder de indruk van de stad: "De schone straten, de klassieke architectuur, de hoogte van de gebouwen, de schaduw van de talrijke bomen die de stad zo prachtig maken, de vele kanalen waarop talloze schepen vanuit alle delen van de wereld varen - dit alles en nog veel meer geven deze stad een speciaal effect dat ik tot nog toe nergens heb gezien. De meeste zakenmensen hier spreken een beetje Engels - sommigen spreken het zelfs heel vlot."
Maar Hyde kwam niet om zaken te doen, maar om de hoofdrabbijn te spreken. Hyde was mormoon. Al in 1831, een jaar na het ontstaan, was hij door de doop toegetreden tot de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van de Laatste Dagen en in 1835 had stichter Joseph Smith hem gewijd tot een van de twaalf apostelen. Het gesprek met de rabbijn leverde overigens niets op, want de man sprak geen woord Engels. Hyde liet vijfhonderd pamfletten achter voor de leden van de joodse gemeenschap, maar enig meetbaar effect lijken die niet te hebben gehad. Via Den Haag reisde hij naar Amsterdam, waar hij een aantal exemplaren van zijn An Address to the Hebrews aan een rabbijn overhandigde, om vervolgens via Arnhem Nederland te verlaten.
Precies twintig jaar later zou het Mormoons zendingswerk werkelijk beginnen in Nederland, toen twee oudsten arriveerden. Op 1 oktober 1861 doopte Anne Wiegers van der Woude in Broek nabij Akkerwoude een man en twee vrouwen en op 23 december doopte Paul Augustus Schettler in Amsterdam twee mannen en één vrouw. Zes bekeerlingen, dat was het resultaat van de eerste vier maanden bekeringswerk.
Dit soort wetenswaardigheden kan men lezen op de nieuwe geschiedenispagina's op de MVG, Mormonen voor Vrede en Gerechtigheid, een onafhankelijk initiatief van individuele leden van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen.
Men vindt er bijvoorbeeld een vijftiendelige serie Heiligen der Lage Landen, over de eerste honderd jaar van het mormonisme in Nederland en Vlaanderen. Het gaat hier om materiaal dat al in de jaren zestig en tachtig verscheen, maar toen soms in stencilvorm of in interne tijdschriften; nu is het voor iedereen toegankelijk en kan het nader historisch onderzoek bevorderen.
Maar de site bevat van alles en nog wat, ook recenter en wetenschappelijk materiaal. Zo werd onlangs de complete tekst toegevoegd van de scriptie waarop Ferdi Geleijnse in 2002 aan de Rijksuniversiteit Groningen afstudeerde bij de godsdienstsociologen Yme Kuiper en Durk Hak: "Without a Prophet at our head". Een godsdienst-sociologische verklaring van de scheuringen in de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van de Laatste Dagen, 1844-1860.
Geleijnse wijst er in zijn studie op dat er nog nooit een uitgebreide godsdienst-sociologische studie gedaan naar de geschiedenis van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen van de Laatste Dagen in Nederland. Toen Geleijnse zijn scriptie schreef, was net de nieuwe Den Haagtempel in Zoetermeer geopend, maar tegelijk kwam het hem voor dat de groei van de kerk in Nederland nogal tegenviel vergeleken met grote succes van de mormonen in Scandinavië, Groot-Brittannië en Duitsland. Misschien dat de website voor religiehistorici en -sociologen een mooie gelegenheid vormt hun gezichtsveld uit te breiden.

Goud zoeken met Galenus Abrahamsz de Haan

Het nieuwste nummer van de Doopsgezinde Bijdragen bevat een gevarieerde inhoud. Ruud Lambours geeft aandacht aan de poging van de doopsgezinde arts en predikant Galenus Abrahamsz (1622-1706) om op alchemistische wijze goud te maken. Hij betoogt dat de mystiek-chiliastische motieven bij Galenus Abrahamsz ook een rol speelde bij zijn zoektocht naar het Eureka en de netwerken waarbinnen hij actief was. Het driehonderdste sterfjaar van Galenus Abrahamsz komt verder tot uiting in de iconografie van de doopsgezinde voorman met onbekende portretten, zoals dat van Joanna Koerten (1650-1715), een indertijd bekende knipselkunstenares.
Keith L. Sprunger schrijft een artikel over de doopsgezinde leraar en uitgever Frans Houttuyn (ca. 1719-1765) dat eerder in de Mennonite Quaerly Review verscheen. Houttuyn wordt opgevoerd als exemplarisch voor de bijdrage van de doopsgezinden aan de achttiende eeuwse Verlichting. Samen met zijn doopsgezinde collega Van Tongerlo gaf Houttuyn onder meer het spectatortijdschrift De Denker uit, vooral volgeschreven door dr Cornelis van Engelen.
De emeritus hoogleraar sterrenkunde A. Blaauw schreef een opstel over de Waterlandse doopsgezinde schilder Abraham de Verwer (ca. 1585-1650), waarin hij onder meer het raadsel van de Kapucijner monniken probeert op te lossen. Willem Stuve komt opnieuw met een diepgravende detailstudie, nu over de huiskoperstwist onder de zestiende eeuwse mennonieten. Hij laat zien dat er bij deze twist meer aan de hand was dan een simpele ruzie om een huis.
Ook de twintigste eeuw komt ruimschoots aan bod met artikelen over Pieter de Clerq, Adré du Croix en Frits Kuiper. Met een bijdrage over David Joris - hier zelfs opgevoerd als een radicale piëtistische heilige - bestrijkt dit nummer een periode van ongeveer 450 jaar.

Herman Paul zoekt antihistorisme in Princeton

De Groningse historicus Herman Paul wordt in september onderzoeker bij het Center of Theological Inquiry in Princeton. Hij gaat daar een boek schrijven over de reactie van het neothomisme, het neolutheranisme en het neocalvinisme op het historisme.
Het historisme is een geschiedfilosofische opvatting die vanaf de negentiende eeuw furore maakte en die het verleden vooral vanuit zichzelf wil verklaren en verstaan. Elke tijd zou afgemeten moeten worden aan zijn eigen normen, niet aan de al dan niet eeuwige of boventijdelijke maatstaven die de historicus met zich meebrengt. Het historisme was een sterk relativistische stroming die in de twintigste eeuw in de culturele antropologie uitmondde in het (methodische) idee van het cultureel relativisme.
Paul gaat zich richten op drie invloedrijke christelijke neo-stromingen, die opgang maakten tegen het einde van de negentiende eeuw, toen de grote veranderingen van het moderniseringsproces grootscheeps zichtbaar werden. De bewegingen grepen op drie grote figuren uit het verleden: Thomas van Aquino, Maarten Luther en Johannes Calvijn. Dat beroep op een normatief verleden, betoogde Paul tegenover Willem Bouwman van het Nederlands Dagblad, was bedoeld om de groeiende kloof tussen heden en verleden overbruggen. Maar het maakte de drie christelijke intellectuele bewegingen tegelijk ook kwetsbaar, want, aldus Paul, "wat gebeurt er als je de historische methode gaat toepassen op de grote voorbeelden?"
Studies over het historisme richtten zich tot dusverre vooral op de geschiedwetenschap van de vroege twintigste eeuw. Paul: "ik vermoed, dat het historisme het hardste aankwam bij mensen die geloofden in absolute waarheden, in scheppingsordinantiën en goddelijke geboden voor alle tijden, bij orthodoxe katholieken en protestanten dus." "Historisering en modernisering zijn twee kanten van dezelfde medaille. Zo gauw mensen zich niet langer kunnen onttrekken aan de 'moderniteit', ontwikkelen ze een besef van historiciteit: het besef te leven in een wereld die telkens verandert. Dat kan pijnlijk zijn, want waar vind je houvast in een wereld vol schuivende panelen? "
Herman Paul (1978) studeerde geschiedenis, filosofie en journalistiek aan de Rijksuniversiteit Groningen, waar hij sinds 2005 als docent is verbonden aan de vakgroep geschiedenis. Op donderdag 23 februari 2006 promoveerde hij bij Frank Ankersmit en Chris Lorenz op de studie Masks of Meaning. Existentialist Humanism in Hayden White's Philosophy of History.
Het Center of Theological Inquiry is een zelfstandig internationaal en oecumenisch onderzoeksinstituut. Het onderhoudt nauwe banden met Princeton Theological Seminary, van waaruit het in 1978 werd opgericht. Momenteel, van januari tot juni 2006, verblijft de Utrechtse hoogleraar dogmatiek Jan Muis er. Hij houdt zich bezig met het thema Christian God-talk.

Johan de Niet zet ziekentroosters in de markt

Protestantse kerken in de vroegmoderne en moderne tijd hadden heel wat mensen in dienst. Tussen de officiële bekleders van de ambten en het kerkvolk bestonden er allerlei functies: stoelenzetsters, consistoriebedienden, togadragers, voorlezers, voorzangers, oefenaars, catechiseermeesters, catechiseermeesteressen, ziekentroosters - ook wel krankenbezoekers of ziekenbezoekers geheten - en pestziekentroosters.
Over de pastorale zorg die ziekentroosters tussen 1550 en 1880 boden namens de gereformeerde, later hervormde kerk, heeft Johan de Niet een dissertatie geschreven, die hij op woensdag 22 februari verdedigt aan de Vrije Universiteit. Ziekentroosters namen in het kerkelijke en maatschappelijke leven een bemiddelende functie in. Terwijl predikanten zich in vroeger eeuwen vaak te voornaam achten om bij arme mensen op bezoek te gaan, stonden de ziekentroosters veel dichter bij het gewone volk. Ze deden overigens veel meer dan hun naam doet bevroeden. Ze bezochten niet alleen zieken, maar boden ook geestelijke ondersteuning aan gevangenen en terdoodveroordeelden. En in stedelijke en diaconale gast- en oudemannen- en oudevrouwenhuizen gaven ze onderwijs. Sommige ziekentroosters publiceerden boeken. En soms werden ze uiteindelijk predikant.
Voor zijn cultuurgeschiedenis van de pastorale zorg maakt Johan de Niet gebruik van het theoretische model van de 'pastorale markt'' dat geënt is op het al langer in omloop zijnde idee van de 'medische markt'. Het religieuze leven benadert hij als een wisselwerking van de vraag naar pastorale diensten en het beschikbare aanbod, al dan niet van kerkelijke zijde. Op die manier probeert hij tegenwicht te bieden aan een eenzijdig, door de kerkelijk-normatieve bronnen gekleurd, beeld. Welke religieuze of andere diensten werden door het volk gevraagd en welke positie kozen de ziekentroosters zelf op de pastorale markt? In hoeverre moesten de ziekentroosters bijvoorbeeld inspelen op de behoefte aan rituelen bij het sterfbed?
Johan de Niet deed archiefonderzoek in Amsterdam, Deventer en Leiden. Tot aan het einde van de Nederlandse Republiek in 1795 waren ziekentroosters stedelijke ambtenaren. Later zouden ze kerkelijke werkers worden en werden ze uiteindelijk godsdienstonderwijzers. In zijn boek analyseert hij de maatschappelijke positie van ziekentroosters en beschrijft hij de pastorale zorg die ze in de praktijk konden bieden.
Johan de Niet (1977) studeerde van 1996 tot 2001 geschiedenis aan de Vrije Universiteit. Tijdens zijn studie specialiseerde hij zich in cultuurgeschiedenis en universiteitsgeschiedenis. Zijn afstudeerscriptie ging over de bepalingen rond onderwijs en examens in de statuten van de Europese universiteiten tussen 1200 en 1700.Van 2001 tot 2005 werkte hij als promovendus binnen het project Pastorale Markt van prof. dr Fred van Lieburg, die samen met prof. dr Willem Frijhoff als promotor optreedt. Johan de Niet is als medewerker verbonden aan ReLiC, het aan de VU gevestigde centrum voor Nederlandse religiegeschiedenis.
Meer...

Peter van Rooden dingt af

Grote steden hebben de naam haarden van ongeloof te zijn. Godsdienst is iets van vroeger, en juist in de stad ontplooit zich de moderne tijd. Het huidige Amsterdam lijkt daar geen uitzondering op te vormen.
Peter van Rooden meent echter dat er op de gangbare sociologische theorie over de onvermijdelijkheid van het secularisatieproces heel wat af te dingen valt. Op dinsdagavond 21 februari 2006 doet hij dat in de vierde Amsterdamlezing van dit seizoen over Godsdienst en secularisatie in Amsterdam. Gedurende de afgelopen anderhalve eeuw liepen de ontwikkelingen van het geloof en ongeloof in Amsterdam gelijk op, zal Van Rooden betogen. Beide waren volledig verweven met de politieke en culturele modernisering van de stad en het land.
De Amsterdamlezingen van het seizoen 2005-2006 hebben als thema De seculiere stad - en wie het over seculariteit heeft, heeft het noodzakelijkerwijs over religie. De lezingenreeks wordt georganiseerd door Paul Scheffer, bijzonder hoogleraar grootstedelijke problematiek aan de Universiteit van Amsterdam. Ze worden gehouden in de aula van de universiteit, die - misschien symbolisch - tevens de oude lutherse kerk is.
Peter van Rooden is werkzaam bij het onderzoekscentrum Religie en Samenleving aan de Universiteit van Amsterdam. Hij werkt momenteel aan een boek over de ineenstorting van het Nederlandse christendom gebaseerd op mondelinge getuigenissen (oral history). Hij promoveerde in 1985 aan de Universiteit Leiden op een dissertatie, die enkele jaren later in het Engels verscheen als Theology, Biblical Scholarship and Rabbinical Studies in the Seventeenth Century. Constantijn L' Empereur (1591-1648), Professor of Hebrew and Theology at Leiden (Leiden 1989). Bekend werd met name zijn boek Religieuze Regimes. Over godsdienst en maatschappij in Nederland, 1570-1999 (Amsterdam 1996).
De voorgaande lezingen in de reeks werden gegeven door Gabriël van den Brink, Henk van Nierop en Tamarah Benima. In maart zal de predikant Rudy Frank Polanen ingaan op Surinaamse migrantenkerken in verandering, terwijl de Amsterdamse wethouder Ahmed Aboutaleb de reeks in april zal afsluiten met een lezing over Demografie en stabiliteit: is er een plek voor de islam in Amsterdam?
Meer...

Angela Berlis hoogleraar oud-katholicisme

Angela Berlis is sinds 1 januari 2006 bijzonder hoogleraar aan de subfaculteit Godgeleerdheid van de Universiteit Utrecht. Haar leeropdracht heeft betrekking op oude katholieke kerkstructuren en daar horen ook de geschiedenis en de leerstellingen van de Oud-Katholieke Kerken bij. Berlis is benoemd door het Curatorium van het Oud-Katholiek Seminarie.
De leerstoel werd in 1974 ingesteld, toen de oud-katholieken hun kerkelijke opleiding aan de Utrechtse universiteit vestigden. Tot mei 1996 werd hij bekleed door Jan Visser, die een jaar later werd opgevolgd door Jan Hallebeek. Sinds 1999 is Hallebeek ook hoogleraar Europese rechtsgeschiedenis aan de Vrije Universiteit. Omdat het niet langer mogelijk blijkt beide functies te combineren, heeft hij ontslag gevraagd als hoogleraar aan het seminarie. Hij wel blijft er wel aan verbonden als docent kerkelijk recht.
Angela Berlis doceert sinds september 2000 pastoraat en gemeenteopbouw aan het Oud-Katholiek Seminarie en sinds september 2002 is zij ook rector. Zij is verder verbonden aan de Faculteit Theologie en Religiewetenschappen van de Universiteit van Tilburg - de vroegere Theologische Faculteit Tilburg -, waar ze bij de leerstoelgroep geschiedenis van kerk en theologie werkt aan een onderzoek naar de opheffing van het verplichte priestercelibaat tussen 1876 en 1922 in de beide oud-katholieke kerken van de Unie van Utrecht. Ze probeert met name antwoord te vinden op de vraag wat in Duitsland en Nederland de gevolgen waren voor de vormgeving van het priesterambt en de ermee verbonden zielzorg voor de relatie tussen mannen en vrouwen en voor het identiteitsbesef van de twee kerkorganisaties. Het gaat dus niet alleen om de priesters, maar ook om de pastoorsvrouwen en de pastoorsgezinnen.
Angela Karoline Hermine Berlis (1962) studeerde theologie in Bonn en Utrecht. Zij werd in 1988 in Essen (Duitsland) tot diaken gewijd en in 1996 in Konstanz (Duitsland) tot priester. In 1998 promoveerde zij aan de Katholieke Universiteit Nijmegen op de dissertatie Frauen im Prozess der Kirchwerdung. Eine historisch-theologische Studie zur Anfangsphase des deutschen Altkatholizismus (1850-1890) (Frankfurt am Main 1998). Angela Berlis neemt deel aan diverse onderzoeksgroepen in binnen- en buitenland. De positie en de geschiedenis van vrouwen is daarbij een centraal thema.

Geschiedenis Nederlandse jezuïeten geboekstaafd

Over de geestelijke nalatenschap van de katholieke orde van de jezuïeten, ook wel broederschap van Jezus genoemd, verscheen onlangs een (bibliografische) gids. Het werk betreft het optreden van de orde in de Noordelijke Nederlanden (1540-1850). Er is nog een in 2002 verschenen deel beschikbaar dat de periode van 1850 tot 2000 bestrijkt. Samen goed voor 4600 titels op het terrein van de geschiedenis, cultuur en spiritualiteit van de Nederlandse jezuïeten van 1540 tot heden.
De publicaties na 2005 worden elektronisch bijgehouden en zijn te vinden op de nieuwe website van het Nederlands Instituut voor Jezuïeten Studies (NIJS). Het NIJS staat onder leiding van Paul Begheyn SJ. Op de site is er veel aandacht voor publicaties, bibliografie, projecten en samenwerkingsverbanden.
De orde van jezuïeten dateert uit 1534 in Parijs en stond onder leiding van Ignatius van Loyola (1491-1556). In 1540 ontving de orde de pauselijke goedkeuring. Kenmerkend voor het optreden van de orde acht men de dynamiek tussen actie en contemplatie. Van 1829 tot 1853 was Jan Philip Roothaan (1785-1853) de algemene overste van de orde die in de negentiende eeuw sterk in omvang toenam. In 1965 telde de orde wereldwijd 36.000 leden. In 2003 was de omvang terug gelopen tot 20.000, waarvan in Nederland 159 leden en tien huizen.
In de afgelopen 22 jaar was de Nederlandse pater Peter-Hans Kolvenbach (77) topman - of generaal overste - van de orde van de jezuïeten. Hij was de tweede Nederlander die dit ambt waarnam, en zal vermoedelijk in 2008 aftreden.

Website Centrum voor Calvijnstudie van start

Vandaag is de website Centrum voor Calvijnstudie van start gegaan (www.calvijnstudie.nl). Initiatiefnemer en beheerder is dr Wulfert de Greef, emeritus predikant van de Protestantse Kerk in Nederland, die achtereenvolgens gemeenten in Kamperveen, Pijnacker, Dokkum, Amsterdam, Vlaardingen en Almelo diende.
Reeds vele jaren houdt hij zich bezig met de bestudering van de werken van de Geneefse reformator. In 1984 promoveerde hij op Calvijn en het Oude Testament. In het kader van het Calvijnonderzoek schreef hij verscheidene artikelen en boeken. Deze maand is zowel een herziene uitgave van zijn Johannes Calvijn, zijn werk en geschriften verschenen als een nieuwe publicatie die gaat over Calvijns uitleg van de Psalmen. In deze studie doet hij verslag van zijn onderzoek naar Calvijns exegetische methode.
Via de website Centrum voor Calvijnstudie wil De Greef hen die met Calvijnstudie bezig zijn de helpende hand bieden. Hij doet dat op verschillende manieren. In de rubriek 'nieuws' wordt de aandacht gevestigd op het laatste nieuws, zoals congressen die binnenkort in verband met Calvijn gehouden worden. Wie weten wil wat het laatste jaar over Calvijn is verschenen, hoeft niet meer allerlei tijdschriften te raadplegen, maar kan in de rubriek 'laatste publicaties' vinden wat sinds 2005 gepubliceerd is. Nieuwe boeken zullen besproken worden. Wat op andere websites te vinden is, wordt hier niet genoemd. Er wordt wel naar die sites verwezen.
Wat De Greef met deze website eveneens beoogt, is hen die met die Calvijnstudie bezig zijn, de gelegenheid geven om elkaar te helpen. Zij kunnen dat doen door op de website te laten zetten met welk studieproject zij bezig zijn. Dan kan men vervolgens in de rubriek onderzoek vinden wat er op dit terrein gebeurt, niet alleen in Nederland, maar ook elders. De tekst van de website is tweetalig (Nederlands en Engels) en heeft dus een wijd bereik. De Greef denkt dat het voor onderzoekers interessant en belangrijk is mee te doen aan het gesloten circuit. Daar kan men elkaar een vraag voorleggen of de aandacht op iets vestigen wat voor een andere onderzoeker van belang kan zijn.
Het maakt volgens de initiatiefnemer Wulfert de Greef niet uit of iemand aan Calvijnstudie begint of daar al jaren mee bezig is. Op de hoogte zijn van de actuele stand van zaken is voor een ieder belangrijk. En het nieuwe wat deze website biedt, is ook dat men voor elkaar van betekenis kan zijn. Dat kan het Calvijnonderzoek ten goede komen.

Derek Suchard beschrijft interreligieuze dialoog

Kerkgeschiedenis zit in een klein hoekje. Op maandag 30 januari promoveerde aan de Radboud Universiteit in Nijmegen Derek Jerome Suchard op het proefschrift The Limits of an Ethic-Centric Interreligious Dialogue.
De redactie van deze website had dat evenement uiteraard wel gesignaleerd, maar Suchards dissertatie niet als een kerkhistorisch werk herkend. De insteek lijkt ook primair systematisch te zijn. Maar uit een interview dat Klaas van der Zwaag voor het Reformatorisch Dagblad hield, blijkt dat Suchards onderzoek toch aardig wat kerkhistorische aspecten kent. Van der Zwaag meldt dat Suchard de interreligieuze dialoog bij onder anderen de kerkvaders (de apologeten), de middeleeuwers Petrus Abaelardus en Nicolas van Cusa, Gotthold Ephaim Lessing en Karl Barth beschrijft. En dat hij ook de dialoogopvattingen vanaf 1893, toen het eerste Wereldparlement van de Religies in Amerika bijeenkwam, de opvattingen van de wereldzendingsconferentie in Edinburgh (1910), van de Wereldraad van Kerken en die over eenheid en dialoog in het Vaticaan behandelt.
Suchard vroeg zich af of de interreligieuze dialoog nog theologische aspecten kent, of dat het om louter profane, ethische elementen, waaronder vrede, gaat. In dat kader onderzocht hij onder meer India als casus. Theologische kwesties zijn daar volgens Derek Suchard verdrongen door ethische vraagstukken op het gebied van milieu, armoede en vrouwenrechten.
De interreligieuze dialoog is niet veel verder gekomen dan persoonlijke contacten tussen aanhangers van godsdiensten, concludeert Suchard in het RD-interview: "Het gaat dan om een dialoog tussen religieuze mensen, maar niet tussen religies. De dialoog heeft in de geschiedenis lang in het teken gestaan van de ander te bekeren. Daar is men grotendeels van afgestapt. Maar tegenwoordig leven er nog veel christelijke zendelingen die dit nastreven, veel meer dan moslimzendelingen, alhoewel die er uiteraard ook zijn."
Contacten namen vooral toe sinds het einde van het koloniale tijdperk toen mensen uit de hele wereld naar het Westen kwamen. "De dialoog kreeg een plaats aan de universiteiten en in de buurthuizen. Maar deze heeft niet geleid tot meer toenadering op theologische vlak. Winst is wel dat de contacten hun maatschappelijke voordelen hebben gehad. Maar daarvoor heb je de theologie niet nodig."
In zijn boek probeert Derek Suchard (Toronto, Canada, 1955), die werkzaam is als vertaler Engels voor de Sectie Vertalingen van het Ministerie van Defensie in Den Haag en die verder voorzitter is van de Nederlandse Unitarische Universalistische Gemeenschap, een model te ontwikkelen om het theologische weer een plek te geven in de interreligieuze dialoog. Hij doet dat op basis van de heilige schriften van een aantal godsdiensten waaronder het christendom, het Jodendom, de Islam, en het Boeddhisme.
Meer in het Reformatorisch Dagblad

Herman Hoeksema leerde al jong vechten

"De naam en de persoon van Herman Hoeksema (1886-1965) zijn in Nederland vrijwel onbekend", begon Pieter Rouwendal in 2001 een artikel in het Tijdschrift voor Nederlandse Kerkgeschiedenis. Zijn stuk, waarin hij beschreef hoe deze Amerikaanse theoloog relevant was voor het verstaan van zo geheel anders georienteerde Nederlandse theologen als Klaas Schilder en Cornelis Steenblok, maakte daar natuurlijk meteen een einde aan.
Op dinsdag 31 januari 2006 verdedigt de Amerikaan James Baskwell aan de Vrije Universiteit een proefschrift, die een theologische biografie van deze controversiële verschijning in de geschiedenis van gereformeerde theologie bevat. Herman Hoeksema, geboren in 1886 in Hoogezand, vertrok na de ambachtsschool doorlopen te hebben, in 1904 naar New York, van waar hij doorreisde naar Chicago. Na eerst onder meer als smid gewerkt te hebben, studeerde hij vervolgens theologie in Grand Rapids en werd daarna predikant. In 1924 verliet hij na een knallende ruzie de Christian Reformed Church en samen met enkele geestverwanten richtte hij de Protestant Reformed Churches in America op.
In zijn dissertatie over de opvliegende Amerikaanse dominee beschrijft James Baskwell hoe de oorzaak van alle opschudding lag in een meningsverschil over het leerstuk van de algemene genade. Volgens die leer is de genade van God niet alleen voorbehouden aan christenen. Ook niet-christenen zouden goede dingen kunnen doen. De Heilige Geest heeft ook tot taak om de zonde in hun harten te beteugelen. Dat God de ongelovige gunstig gezind is, zou dan ook blijken uit het vrije aanbod van het evangelie. Hoeksema beschouwde dit allemaal als nieuwlichterij en verzette zich hevig tegen de aanvaarding van deze leer.
Baskwell gaat in op de vraag wie Hoeksema precies was en wat hem bewoog. Hij plaatst Hoeksema's theologische opvattingen onder meer in het licht van diens armoedige jeugd. Zo leerde hij al jong te vechten voor wat hij wilde. Dat hielp hem wellicht overleven, maar het zou hem eveneens dwarszitten in zijn latere kerkstrijd. Ondanks zijn ongelukkige jeugd en sommige nogal onaangename karaktereigenschappen, rekent Baskwell Hoeksema tot de meer karakteristieke en consistent gereformeerde theologen van de twintigste eeuw.
Baskwell promoveert bij de systematisch theoloog Bram van de Beek, die een breed internationaal netwerk heeft opgebouwd. Zo promoveerde afgelopen jaar de eveneens uit de USA afkomstige Allan Janssen bij hem op een proefschrift over de betekenis van Arnold van Rulers ambtsopvatting voor de oecumenische dialoog in Noord-Amerika.
Meer...

Kloppen op de deur van vrouwenharten

Kerkgeschiedenis is, iedereen weet dat eigenlijk wel, een vorm van vrouwengeschiedenis. Vrouwen vormden immers vrijwel altijd het merendeel van de actieve gelovigen.
De geschiedenis van het katholieke leven in de vroegere Nederlandse Republiek maakt dat goed duidelijk. In de zeventiende eeuw waren in de Noordelijke Nederlanden zo'n 5000 geestelijke maagden actief tegenover 400 priesters.
In haar proefschrift Beelden voor Passie & Hartstocht, waarop ze woensdag 1 februari in Nijmegen promoveert, beschrijft Evelyne Verheggen het leven van deze vrouwen aan de hand van de bid- en devotieprenten die in hun leven een grote rol speelden. Kloppen werden deze vrouwen, die in de wereld wonend een geestelijk leven leidden en een gelofte van zuiverheid hadden afgelegd, in de Noordelijke Nederlanden gewoonlijk genoemd - in het zuiden heetten ze vaak kwezels, een woord dat destijds nog geen pejoratieve connotatie had.
Waarom heette ze eigenlijk klopjes? Een gangbare gedachte is: omdat ze onopvallend de katholieke gelovigen bezochten en bij hen aan de deur klopten, bijvoorbeeld om eraan te herinneren dat de mis begon. Evelyne Verheggen gelooft dat niet. Volgens haar waren kloppen geen vrouwen die zelf op deuren klopten, maar werd er juist bij henzelf aangeklopt: Christus klopte op de deur van hun hart en zij lieten hem toe. Het viel Verheggen tijdens het bekijken van ruim 25.000 devotieprenten op, hoe groot de aandacht voor het hart was. In de zeventiende-eeuwse hartenspiritualiteit was het menselijk hart een huis of de mystieke plaats voor het eucharistisch banket.
Zo stuitte Verheggen in een handschrift uit de Haarlemse kloppenstatie Den Hoeck op een prent van op een tulp, destijds een zeer prijzige bloem, met in de kelk een Christusfiguur die op de deur van het hart klopt. De bloem staat in een besloten hof, hortus conclusus, en groeit naar de hemel. Onder het prentje staat "Doe open mijn zuster, mijn vriendin", een aanhaling uit het Hooglied (5:2). Volgens Verheggen is de bedoeling wel duidelijk: Christus klopt op de deur van het hart van Hollands kostbaarste vrouwen: de geestelijke maagden.
In haar boek, dat zal verschijnen bij De Walburgpers in Zutphen, beschrijft Verheggen hoe de kloppen veelvuldig gebruik maakten van religieuze prenten. Kloppen verspreidden de prentjes onder de gelovigen en waren er zelf ook zeer aan gehecht. Bij intrede of professie werden devotieprentjes aan de medekloppen uitgedeeld. De prentjes werden ingeplakt, bijgebonden of bewaard in gebedenboekjes en handschriften.
Als eersten gingen de begijnen en kloppen ertoe over de prentjes te voorzien van handgeschreven opdrachten. De prentjes gingen als het ware functioneren als een ondergrondse vorm van communicatie. Bij overlijden werden de prentjes voorzien van een inmemoriam: "Bid voor de ziel van ...". Zo ontstond in de zeventiende eeuw het bid- of doodsprentje in het kloppen- en begijnenmilieu in de Noordelijke Nederlanden. Het gebruik van doodsprentjes werd pas aan het einde van de achttiende eeuw overgenomen door de Zuidelijke Nederlanden, gevolgd door andere landen.
Evelyne Verheggen (Buggenum 1960) studeerde kunstgeschiedenis en archeologie aan de Rijksuniversiteit Leiden. Daarna was zij onder andere verbonden aan het Museum Catherijneconvent te Utrecht en Breda's Museum. Sinds 1999 is ze werkzaam bij de afdeling kunstgeschiedenis van de Radboud Universiteit in Nijmegen in het kader van het interfacultaire profileringsprogramma Christelijk Cultureel Erfgoed (CCE). De kerkhistoricus Peter Nissen en de kunsthistoricus Jos Koldeweij treden op als promotor.
Meer...

Fred van Lieburg benoemd tot hoogleraar

Dr F.A. van Lieburg (1967) is per 1 februari 2006 benoemd als opvolger van prof. dr. G.J. Schutte, die op 23 december 2005 aan de Vrije Universiteit zijn afscheidsrede hield als hoogleraar Geschiedenis van het Nederlands protestantisme. Fred van Lieburg studeerde maatschappijgeschiedenis aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam en is sinds 1991 - eerst als aio, daarna als postdoc, sinds kort als universitair docent - verbonden aan de afdeling Geschiedenis van de Nieuwe Tijd aan de letterenfaculteit van de VU. In 1996 promoveerde hij op een studie naar de geografische herkomst van gereformeerde predikanten in Nederland (Profeten en hun vaderland). Al eerder publiceerde Van Lieburg enkele boeken over het Nederlandse piëtisme en in de laatste jaren verschenen onder meer enkele studies over protestantse wonderverhalen. In 2001 ontving Van Lieburg van het NWO-fonds (vernieuwingsimpuls) een subsidie voor het onderzoeksproject 'De pastorale markt (1650-1850)', waarin de aandacht uitgaat naar de positie van de lekenpredikers in het protestantisme. In 2003 werd dit aangevuld met een internationaliseringssubsidie van het Huizinga Instituut voor het project 'Cultural history of Pietism and Revivalism'.
Fred van Lieburg was mede-oprichter van de VNK, schreef vele artikelen voor het Tijdschrift voor Nederlandse Kerkgeschiedenis en de VNK-bundels en was enige tijd lid van het bestuur. Met Joris van Eijnatten richtte hij in 2002 het VU-Centrum voor Nederlandse religiegeschiedenis ReLiC op en schreef hij het handboek Nederlandse religiegeschiedenis.

Nieuw tijdschrift Religie & Samenleving op komst

Religie & Samenleving, dat is de naam van een nieuw tijdschrift dat dit voorjaar op de markt zal komen. Het gaat om een initiatief van de Stichting Forces. De oprichters kennen elkaar onder meer vanuit de Werkgroep Godsdienstsociologie.
Het nieuwe blad, dat zich volgens de ondertitel presenteert als een "tijdschrift voor godsdienst in historisch, sociologisch en antropologisch perspectief", wil volgens de secretaris van de werkgroep, de Amsterdamse godsdienstsocioloog dr Erik Sengers, die verbonden is aan de Theologische Universiteit Kampen (ThUK), een "podium bieden aan hen die zich bezig houden met de bestudering van de veranderingen in religie en religieuze organisaties in de Europese samenleving van de laatste twee eeuwen."
Het tijdschrift wil zo een bijdrage leveren aan het debat over de rol van religie in de huidige maatschappij. De oprichters, legt Sengers uit, hebben daarom gekozen voor een multidisciplinaire benadering; ze willen het gesprek tussen de sociale wetenschappen onderling en tussen wetenschap en samenleving anderzijds stimuleren. In de redactie, die bestaat uit Henri Gooren, Durk Hak, redactiesecretaris Lammert Gosse Jansma en Erik Sengers, zijn dan ook bewust verschillende disciplines vertegenwoordigd: godsdienstsociologie, theologie en culturele antropologie. Daarnaast is er een editorial board of comité van 'klankbordleden' samengesteld, die bestaat personen met een verschillende religieuze achtergronden, die werkzaam zijn of geweest zijn bij verschillende universiteiten, media of maatschappelijke instellingen. Het tijdschrift wil niet alleen medewetenschappers, maar ook beleidsmakers, journalisten en het geïnteresseerde publiek informeren over de veranderingen in religie in relatie tot de sociale, culturele en historische context.
Religie & Samenleving, dat drie of vier keer per jaar zal verschijnen, wil behalve aan in toegankelijke stijl geschreven wetenschappelijke artikelen, die zowel in het Nederlands als in het Engels of Duits gesteld kunnen zijn, ook plaats bieden aan essayistische en journalistieke bijdragen en aan interviews en debatten. Ook zal het ruime aandacht schenken aan nieuwe publicaties.
Religie & Samenleving zal op 12 mei in Kampen ten doop worden gehouden op een symposium over Spiritualiteit en Secularisatie - historie, reflectie, trends
Meer...


Update: op maandag 30 januari zijn enkele nieuwe gegevens in het bericht verwerkt

Het "Archief" uit 1829 wordt publiekstijdschrift

Het oudste wetenschappelijke tijdschrift van Nederland, het Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis (NAK), gaat op de schop. Het tijdschrift dat onder verschillende aanduidingen sinds 1829 bestaat, gaat zich weer op het brede, nu internationale publiek richten en zal daartoe dit jaar een publiciteitscampagne starten.
Ook de naam verandert. De vroegere ondertitel Dutch Review of Church History (DRCH), die sinds 2003 als hoofdtitel gevoerd werd, verandert nu in Church History and Religious Culture (CHRC). Duidt de nieuwe titel op een koerswijziging? Hoofdredacteur Wim Janse, bijzonder hoogleraar reformatiegeschiedenis aan de Vrije Universiteit en als kerkhistoricus verbonden aan de Universiteit Leiden, licht toe: "Die nieuwe naam is inderdaad een bewuste perspectiefverbreding. Kerkgeschiedenis is vanouds een discipline-aanduiding en omvatte altijd al meer dan de geschiedenis van de christelijke kerken, maar met de term "religieuze cultuur" willen we duidelijk aangeven dat we aansluiten bij de nieuwere ontwikkelingen in het vak."
In feite keert het "Archief", zoals de naam tientallen jaren in de wandelgangen luidde, terug naar de oude tijdschriftformule. In de twintigste eeuw verschenen er telkens twee afleveringen per deel. De delen vielen overigens niet altijd volledig samen met jaargangen; de zogenaamde "nieuwe serie" was begonnen in 1900-1902, maar tot op heden zijn er niet meer dan honderd, doch slechts 85 delen uitgekomen. In 2000 werd de verschijningsfrequentie verhoogd tot drie afleveringen per jaar, maar al in 2003 besloot uitgever Brill er een jaarboek van te maken. De omvang nam toen overigens nogal toe: de drie sindsdien verschenen jaarboekafleveringen telden allen rond de zeshonderd bladzijden.
Het vernieuwde CHRC wordt een kwartaaltijdschrift, waarbij elke aflevering ongeveer 150 bladzijden zal tellen. Een deel of jaargang zal dus ongeveer 600 bladzijden bevatten. Hoofdredacteur Wim Janse: "Maar als het geaccepteerde aanbod groter is, mogen we meer issues, afleveringen dus, maken; we hoeven ons niet tot een maximumaantal pagina's per jaar te beperken". De artikelen zullen overeenkomstig de praktijk van de laatste jaren uitsluitend in het Engels verschijnen, maar recensies kunnen ook in het Duits of Frans gesteld zijn.
Wim Janse: "2006 wordt om praktische redenen een overgangsjaar. We hadden namelijk al een thematische bundel gepland, naar aanleiding van een Gronings congres over The Encroaching Desert. Egyptian Hagiography and the Medieval West." Dat nummer, waarvoor Mathilde van Dijk van de Rijksuniversiteit Groningen en de vorig jaar in Groningen gepromoveerde Jitse Dijkstra, die nu verbonden is aan de University of Ottawa, als gastredacteuren optreden, gaat de afleveringen een tot en met drie van deel 86 vormen. 86/4 wordt dan een afzonderlijke aflevering. En in 2007 gaat het tijdschrift dan echt volgens de nieuwe kwartaalformule van start.
Editor-in-Chief Wim Janse: "De policy-wijziging is niet denkbaar zonder Hendrik van Leusen, de nieuwe man bij Brill voor vroegmoderne en moderne geschiedenis. Hij is een gedreven specialist, die zich volledig voor ons tijdschrift inzet en ook intern bij Brill de goedkeuring voor ons "relaunch plan" gekregen heeft. Brill wil DRCH/CHRC graag als toptijdschrift in de discipline houden en investeert daartoe ook financieel substantieel."
Het jaar 2006 zal worden gebruikt voor een publiciteitscampagne op de Amerikaanse markt. Met name voor individuele abonnees gaan de prijzen enorm naar beneden. Individuele lezers zullen ongeveer 50 euro voor een jaargang gaan betalen en leden van kerkhistorische genootschappen over de hele wereld, zoals het Kerkhistorisch Gezelschap in Nederland, zullen niet meer dan zo'n 38 euro hoeven neer te leggen. Bibliotheken en instellingen zullen conform de huidige lijn ongeveer 200 euro moeten overmaken.
Er komt een nieuwe redactie. Leden van de kernredactie (Editorial Board) worden onder andere Judith Pollmann (Universiteit Leiden, vroegmoderne geschiedenis), Bas ter Haar Romeny (Universiteit Leiden, vroeg en oosters christendom), Theo Clemens (Antwerpen en KTU Utrecht, katholieke geschiedenis en modern christendom). Wim Janse blijft hoofdredacteur. Daarnaast komt er een brede internationale redactie (Editorial Committee), waartoe zo'n 20 tot 25 religiehistorici uit Europa en Noord-Amerika toetreden (of aanblijven vanuit de huidige redactie). Wim Janse is van plan om geregeld gastredacteuren uit te nodigen voor het maken van thematische afleveringen. Ook de lay-out wordt in continuïteit met huidige aangepakt.
Wat nu Church History and Religious Culture heet, werd in 1829 opgericht door de Leidse hoogleraar N.C. Kist en zijn Utrechtse collega H.J. Royaards onder de naam Archief voor kerkelijke geschiedenis, inzonderheid van Nederland. Het tijdschrift verscheen toen bij uitgeverij S. en J. Luchtmans in Leiden. Diverse keren zou de naam veranderd worden en lange tijd werd de uitgave verzorgd door de Haagse uitgever Nijhoff, maar sinds 1967 (deel 48) verschijnt het tijdschrift bij Brill in Leiden en dat is de rechtstreekse opvolger van de firma Luchtmans. Vele grote namen uit de Nederlandse kerkgeschiedenisbeoefening - W. Moll, J.G. de Hoop Scheffer, J.R.G. Acquoy, H.C. Rogge, A.W. Wybrands, F. Pijper, A. Eekhof, J. Lindeboom, J.N. Bakhuizen van den Brink, M. van Rhijn, C.C. de Bruin, W.F. Dankbaar, D. Nauta en anderen - behoorden tot de redactie. Pas in 1966 trad een katholiek tot de redactie toe: J.C.P.A. van Laarhoven. Tijdens zijn lezing over "Het draagvlak voor de beoefening van de kerkgeschiedenis in Nederland", waarmee de activiteiten van de Verenging voor Nederlandse Kerkgeschiedenis in 1989 in Gouda van start gingen, refereerde prof. dr Otto J. de Jong uitgebreid aan de beginjaren van het "Archief". Het tijdschrift is zelf inmiddels een geschikt voorwerp voor kerkhistorisch onderzoek.
Vanaf 1941 verzorgde de redactie ook de boekenreeks Kerkhistorische Studiën behoorende bij het Nederlandsch Archief voor Kerkgeschiedenis. In 1970 werd begonnen met een nieuwe reeks boeken: de Kerkhistorische Bijdragen, sinds 2004 Brill's Series in Church History geheten. Na enkele jaren van stagnatie verschijnen er sinds 2002 weer geregeld nieuwe werken. Het laatste deel was de uitgave van Abraham Kuyper's Commentatio (1860) door Jasper Vree en Johan Zwaan. Nieuwe delen, alle in het Engels, staan op stapel, vertelt Janse.

Calvijn in het NOS Journaal

De Picardiër Jean Cauvin (1509-1564), ook wel bekend als Johannes Calvijn, was een nijver baasje. Hij pende zo'n 22.000 pagina's bij elkaar. De meest gebruikte volledige uitgave daarvan, Joannis Calvini Opera quae supersunt omnia, met teksten in het Latijn en Frans, die tussen 1863 en 1900 in 59 delen verschenen bij Schwetske in Braunschweig, zijn nu door het Apeldoornse Instituut voor Reformatieonderzoek gescand en op dvd gezet.
Op dinsdag 24 januari 2006 zal de directeur, prof. dr Herman Selderhuis, hoogleraar kerkgeschiedenis aan de Theologische Universiteit te Apeldoorn, in het gebouw van zijn universiteit het eerste exemplaar aanbieden aan zijn voorganger prof. dr Willem van 't Spijker. Het NOS Journaal van aanstaande zondag, 22 januari, zal aandacht besteden aan de Calvijn-uitgave. Verslaggeefster Pauline Broekema heeft initiatiefnemer Herman Selderhuis, die ook voorzitter is van de Vereniging voor Nederlandse Kerkgeschiedenis, afgelopen maandag uitvoerig geïnterviewd.
Wat is het belang van de uitgave? "De grote universiteiten hebben de zogeheten Calvini Opera, Calvijns geschriften, in de bibliotheek staan", vertelde Herman Selderhuis onlangs aan het Nederlands Dagblad. "De kleine niet. Aan vele theologische scholen in Azië, Afrika en Oost-Europa ontbreken ze. Antiquarisch is er moeilijk aan te komen en dan slechts voor veel geld. Er zijn in ieder geval weinig wetenschappers die ze thuis hebben staan. Met de dvd is het werk van Calvijn toegankelijker. Dat stimuleert de studie van zijn werken en zijn denken.''
Individuele gebruikers betalen 249 euro voor de dvd, bibliotheken 799 euro. Selderhuis tegenover het Nederlands Dagblad: "Er waren commerciële plannen voor de uitgave van Calvijns werk. Wij zijn eerder. Gelukkig maar, want wij hoeven geen winst te maken. Het project hoeft zich alleen maar terug te betalen.''
Het Instituut voor Reformatieonderzoek, dat nu een jaar bestaat, werkt inmiddels aan de uitgave van de Latijnse werken van de Straatsburgse reformator Martin Bucer.
Meer via de kerkhistorische agenda ...


Update: Zondag was er niets te zien. Het item wordt nu dinsdag 24 januari, op de dag van de presentatie, uitgezonden.

Fantaseren over Mirjam uit Migdal

Aan de oevers van het Meer van Galilea, een kilometer of zes ten noorden van Tiberias, liggen nabij een nieuwe nederzetting met dezelfde naam de ruïnes van het oude vissersdorpje Migdal. Daar werd ongeveer tweeduizend jaar geleden een meisje genaamd Mirjam geboren, die een van de volgelingen van Jezus werd.
Veel is er niet bekend over deze Maria uit Migdal of Magdala, maar dat betekent alleen maar dat men er des te meer bij kan fantaseren en dat is dan ook druk gedaan in de loop van de kerkgeschiedenis. Vanaf de vroege kerk is ze nooit meer weg geweest uit de westerse verbeelding. Marianne Fredriksson maakte haar enkele jaren geleden de hoofdpersoon van de roman Volgens Maria Magdalena (1997) en recentelijk dook ze op in Dan Browns subintellectuele pageturner De Da Vinci Code (2004).
Twee conferenties worden er deze maand over haar gehouden: op woensdag 18 januari door de theologische faculteit in Groningen en op zaterdag 28 januari door het Blaise Pascal Instituut van de Vrije Universiteit in Amsterdam. Op beide studiedagen spreken Esther de Boer, de auteur van het succesvolle The Gospel of Mary. Beyond a Gnostic and a Biblical Mary Magdalene (London/New York, Continuum, 2004), waarop ze in 2002 in Kampen promoveerde, en Anne-Mareike Wetter, researchstudente aan de Universiteit Utrecht en gespecialiseerd in bijbelwetenschappen en genderstudies
Het Groningse congres neemt de kerkhistorische ontwikkeling tot uitgangspunt en onderzoekt drie periodes die in de beeldvorming cruciaal zijn: de vroege kerk, de middeleeuwen en de huidige tijd. Ook de mediëviste Mathilde van Dijk en de nieuwtestamenticus Gerard Luttikhuizen laten van zich horen. De aandacht gaat vooral uit naar de voorbeeldrol die Maria Magdalena steeds vervulde. Waarom wordt in een bepaalde tijd en milieu juist dit bepaalde beeld van Maria Magdalena prominent? Waar dient dit voor? Hoe functioneert zij als voorbeeld? Voor wie?
Op de Amsterdamse conferentie wordt Maria Magdalena vooral benaderd als "bijbels buitenbeentje", maar ook daar wordt het historische aspect niet vergeten. Eddy van den Brink zal de beelden van Maria Magdalena in de eerste duizend jaar behandelen onder het motto "Heilig met handicaps". Ook de stelt men de vraag naar de relatie met New Age en feminisme. Welke rol speelt Maria Magdalena nu precies in de evangeliën? Hoe komt zij naar voren in het naar haar genoemde apocriefe evangelie? Werd zij al heel vroeg in de kerkgeschiedenis om (sekse-)politieke redenen naar de marge gedrongen? Is zij een bijbels buitenbeentje of werd zij dat door de kerk gemaakt? Ook liturgiekenner Niek Schuman, danseres-theologe Riëtte Beurmanjer en Bettine Siertsema spreken, terwijl het koor van de HH Martelaren van Gorkum onder leiding van Luc Löwenthal liederen ten gehore zal brengen.
Meer via de kerkhistorische agenda ...

Kerkhistoricus Peter Nissen wint mediaprijs

De Nijmeegse kerkhistoricus prof. dr Peter Nissen heeft de mediaprijs van de Radboud Universiteit gewonnen. Hij was de Radboud-wetenschapper die in 2005 het meest present was in de media. Als blijk van waardering ontving hij daarvoor uit handen van collegevoorzitter ir R.J. de Wijkerslooth de Weerdesteyn de Frans Duynstee-trofee.
Nissen verzamelde in zijn eentje 270 van de ruim 4800 totaal vergaarde punten. Hij was veel in het nieuws als vaste studiogast bij uitzendingen rond het ziekbed en het overlijden van Paus Johannes Paulus II, het conclaaf voorafgaand aan de verkiezing van de nieuwe paus - en fungeerde voor gesproken en geschreven media als belangrijke informatieverschaffer over betekenis en achtergrond van de kerkelijke rituelen rondom de pausverkiezing. Daarnaast haalde Peter Nissen de pers met een aantal 'eigen' onderwerpen of het voorzien van een historische context aan actuele kwesties, zoals bijvoorbeeld de procedure tot zaligverklaring van de Gelderse Dora Visser.
Petrus Johannes Andreas Nissen (1957) is sinds 1998 hoogleraar kerkgeschiedenis in Nijmegen. Hij promoveerde in 1988 aan de toenmalige Katholieke Theologische Universiteit Amsterdam op het proefschrift De katholieke polemiek tegen de Dopers. Reacties van katholieke theologen op de doperse beweging in de Nederlanden (1530-1650). Ruim een jaar geleden redigeerde hij het populaire overzichtswerk Geloven in de Lage Landen. Scharniermomenten in de geschiedenis van het christendom (Leuven, Davidsfonds, 2004).
Hij is ook een van de medewerkers aan het Handboek Nederlandse Kerkgeschiedenis onder redactie van VNK-voorzitter prof. dr Herman J. Selderhuis, dat op zaterdag 13 mei 2006 in Utrecht zal worden gepresenteerd op een door de Vereniging voor Nederlandse Kerkgeschiedenis belegde conferentie. Nissen leverde ook bijdragen aan de VNK-boeken over de Limburgse kerkgeschiedenis en over het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland in 1853, Staf en storm onder redactie van Jurjen Vis en Wim Janse. Ook in het Tijdschrift voor Nederlandse Kerkgeschiedenis publiceerde hij diverse artikelen.
De mediatrofee van de Nijmeegse katholieke universiteit is vernoemd naar Frans Duynstee (Maastricht, 1914), tot zijn overlijden in 1981 hoogleraar staatsrecht en een van de gezichtsbepalende figuren in de geschiedenis van de universiteit. Duynstee leefde bij de actualiteit: het dagelijks nieuws vormde hoofdmoot van zijn colleges. Hij maakte furore met zijn columns in de Gelderlander, De Maasbode, De Tijd en De Telegraaf. Met zijn columns wist Duynstee brede politieke en maatschappelijke invloed te verwerven.

Wouter Bos koestert reformatorische wortels

Boeken van actieve politici zijn zelden de moeite waard omdat alles wat zij schrijven bezien moet worden in het licht van het programma van hun politieke partij en van hun politieke ambities. Des te opvallender is het dat PvdA-leider Wouter Bos in zijn nieuwe boek Dit land kan zoveel beter openhartig vertelt over zijn reformatorische wortels. In het eerste deel van het boek vertelt Bos over zijn jeugd in het Utrechtse dorp Odijk.
Opa Bos, die 'van het gebroken geweertje was' begon ooit bij de antirevolutionairen van Abraham Kuyper. Voor de oorlog was hij lid van de Christelijk-Democratische Unie en na de oorlog omarmde hij de doorbraakgedachte en sloot zich aan bij de PvdA. De ouders van Wouter Bos hadden een verschillende kerkelijke achtergrond. Zijn vader was hervormd en zijn moeder gereformeerd. Bij haar huwelijk trad zij toe tot de kerk van haar man, waarmee de kloof volgens de huidige PvdA-leider vaardig werd overbrugd. Net als opa Bos trad ook pa Bos toe tot de PvdA, een partij die hij echter tijdelijk weer de rug toekeerde uit onvrede over de politionele acties onder Drees. Hij was ook beroepshalve zeer begaan met het lot van Derde Wereld, al moest hij wegens de broze gezondheid van een van zijn kinderen (een broertje van Wouter Bos was zwaar gehandicapt) afzien van een langer verblijf in het buitenland.
Ook in Nederland bleef vader Bos zich inzetten voor wat in het gezin altijd een beetje spottend 'zijn heilige drie-eenheid' werd genoemd: kerk, politiek en derde wereld. Zo was hij de eerste directeur van de protestants-christelijke medefinancieringsorganisatie ICCO en actief binnen de antiapartheidsbeweging. Beyers Naudé, aarsbisschop Desmond Tutu en Allan Boesak kwamen dan ook over de vloer in Odijk. Volgens Wouter Bos kwam de politieke overtuiging van zijn vader rechtstreeks voort uit zijn geloof. Zelf begreep hij maar moeilijk hoe iemand een progressieve politieke overtuiging kon combineren met een traditionele geloofsbeleving. Er is daarover dan ook veel gediscussieerd in huize en naar zijn zeggen begrijpen zoon en vader elkaar inmiddels veel beter op dit punt.
Als puber zette Wouter Bos zich nog sterk af tegen de verplichte zondagsschool, de kerkgang en ook de sobere levensstijl van zijn ouders. Hem is echter bijgebleven dat hij zich ooit afvroeg waarom bij andere kinderen thuis zoveel meer weelde was, terwijl zijn vader toch ook directeur was. Het antwoord van zijn ouders was echter altijd dat het beter was om geld aan de kerk, de partij of de derde wereld te geven. Hij begreep het destijds niet, maar met terugwerkende kracht spreekt Wouter Bos hierover zijn bewondering uit.
In zijn zoektocht naar identiteit in de wereld van geloof en kerk heeft Bos zelfs enige tijd zijn heil gezocht bij Youth for Christ. Vergeleken met de kerk van zijn ouders trof hij hier veel meer evangelische blijheid aan, maar op den duur - na een kennismaking met 'evangelicals' tijdens een verblijf in Engeland - kreeg hij toch zijn bekomst van deze 'happy clappy' gelovigen. Toen een van hen op een dag uitlegde dat de Heer vast wel een bedoeling had met de handicap van zijn broer, waar voor Bos de maat vol en keerde hij deze beweging de rug toe.
In zijn studententijd kwam Bos in aanraking met de andere kant van het kerkelijke spectrum, zoals Sonny Hof van het Amsterdamse studentenpastoraat en de katholieken in de Sonesta-koepel. Met een geloof waarin zoveel ruimte was voor een persoonlijke invulling kon hij echter evenmin goed uit de voeten omdat hij dit weer te vrijblijvend vond.
Hoezeer deze religieuze zoektocht in zijn jonge jaren ook in zijn latere leven sporen heeft achtergelaten, geeft de PvdA-leider treffend weer met zijn keuze voor de eedaflegging in plaats van de belofte bij zijn installatie als lid van de Tweede Kamer. "Ik kwam al jaren niet meer in de kerk, maar het werd uiteindelijk toch de eed. Van sommige dingen kom je nooit los. Dat is in dit geval een last die ik graag draag".
Opvallend is tot slot ook Bos' keuze voor een studie politicologie aan de gereformeerde Vrije Universiteit. Ook hierbij speelde zijn vader een doorslaggevende rol. Liever was hij naar de toneelschool gegaan, doch thuis kreeg hij te horten dat hij dat maar in zijn vrije tijd moest doen. "Het calvinisme had kennelijk wortel geschoten, want ik was meteen overtuigd", aldus Bos. In hetzelfde licht plaatst hij zijn keuze voor het gymnasium in plaats van het atheneum. Met de paplepel kreeg hij mee dat je moet woekeren met je talenten en moet werken in de zweet des aanschijns. Zelfs zijn studiekeuze schrijft hij toe aan zijn calvinistische opvoeding. Als argument om politicologie te studeren noemt hij zijn wens om de wereld te verbeteren en zijn keuze voor een tweede studie, economie, omdat hij wilde berekenen hoeveel dat zou kosten. Alleen de keuze voor de Vrije Universiteit had volgens Bos echter juist weinig te maken met calvinisme. Hij zegt uit volkomen naïviteit voor deze universiteit gekozen te hebben, aangezien hij het adjectief "Vrije" abusievelijk hield voor 'vrolijk' en 'linksig', zoals bij de vrije school. "Hoe naïef kun je zijn, want niets was minder waar". Achteraf betreurt Bos deze keuze echter niet, want hij kan iedereen een beetje inleiding in het oercalvinistische gedachtegoed aanraden. En uiteindelijk is hij ervan overtuigd dat hij dankzij zijn studie aan de Vrije Universiteit CDA'ers beter begrijpt.
Wouter Bos portretteert zichzelf in zijn boek als een PvdA'er met een sterk calvinistisch DNA-profiel. Zijn opzichtig lonken naar het CDA voor een toekomstige coalitie is tegen deze achtergrond bezien misschien beter te begrijpen. De nestgeur is in elk geval bekend. Het is voor hem echter niet te hopen dat het uitloopt op dezelfde teleurstelling die Joop den Uyl moest ondervinden. Ondanks enigszins vergelijkbare wortels, liep diens vrijage met de christendemocratie uit op een grote persoonlijke teleurstelling. (PHAMA)

Nieuwe biografie Abraham Kuyper

Binnenkort verschijnt een nieuwe biografie van Abraham Kuyper. Daarmee krijgt de grote gereformeerde voorman voor het eerst sinds lange tijd weer een volledige levensbeschrijving. De auteur van Abraham Kuyper: een biografie is Jeroen Koch, die als historicus werkzaam is bij de Universiteit Utrecht. Koch geeft alvast een voorproefje in het aanstaande themanummer van het Tijdschrift voor Nederlandse Kerkgeschiedenis over 'Heiligen en heiligheid'. In zijn artikel met de prikkelende titel "Sint Abraham", schetst hij hoe de grote Kuyper al bij zijn leven onder gereformeerden de status van een heilige, een gereformeerde heilige dus, wist te bereiken.
Kuyper staat de laatste tijd in de belangstelling. Onlangs bezorgden kerkhistoricus Jasper Vree en classicus Johan Zwaan bij uitgeverij Brill de eerste uitgave van Kuypers Commentatio, de verhandeling over de kerkhervormers Johannes Calvijn en Johannes a Lasco, waarmee de jeugdige student in de theologie in 1860 een belangrijke kerkhistorische prijsvraag won. En VU-hoogleraar Jan de Bruijn schreef een vermakelijk boek over een politiek schandaal waarin de antirevolutionaire voorman verwikkeld raakte: Het boetekleed ontsiert de man niet. Abraham Kuyper en de Lintjesaffaire (1900-1910) (Amsterdam, Bert Bakker, 2005).
Volgende week woensdag, 11 januari 2006, wordt aan de Vrije Universiteit een symposium gehouden naar aanleiding van de nieuwe editie van Kuypers befaamde verhandeling uit 1874 over Het calvinisme: oorsprong en waarborg van onze constitutioneele vrijheden. Een Nederlandsche gedachte, die ruim een jaar geleden door de jurist Jan Willem Sap en politiek filosoof Henk Woldring opnieuw is uitgegeven bij Kok in Kampen. Over het thema "Godsdienst: bedreiging of garantie van onze vrijheid?" zullen Sophie van Bijsterveld, Bas de Gaay Fortman en Henk Vonhoff onder leiding van Arend Soeteman met elkaar in debat gaan
De grote biografie door Jeroen Koch, die in mei in een gebonden editie zal uitkomen bij uitgeverij Boom in Amsterdam, schetst de grootheid van Kuyper in al zijn facetten, maar ook zijn zwakheden. Abraham Kuyper (1837-1920) was een man met een opdracht. Als predikant, journalist, politicus en theoloog ijverde hij als herboren christen voor de herkerstening van Nederland. Kuyper was de oprichter van de ARP, stichter van de Vrije Universiteit, grondlegger van de Gereformeerde Kerken in Nederland en hoofdredacteur van De Standaard, zijn eigen krant. Zo vormde hij zijn 'kleine luyden' om tot 'mannenbroeders': orthodox-protestantse strijders voor het ware geloof in een vaderland dat bedreigd werd door revolutie, liberalisme, evolutieleer, scepsis en Multatuli.
Kuyper, betoogt Koch, introduceerde in Nederland een nieuwe politieke stijl, waarin (naar het voorbeeld van Mozes en het bijbelse Israël) leider en volk centraal stonden. Rond 1900 kon niemand om hem heen. In reactie op en naar het voorbeeld van Kuyper stichtten katholieken en socialisten hun eigen politieke en maatschappelijke organisaties. Zo beschouwd is Kuyper volgens Koch de grondlegger van de verzuiling geweest.
De man was ook een notoire ruziemaker. In de Nederlandse Hervormde Kerk joeg de reformator de vrijzinnigen tegen zich in het harnas, maar zijn antirevolutionaire wapenbroeders spaarde hij evenmin. Als eerste échte premier van Nederland raakte hij in conflict met koningin Wilhelmina en bond hij tijdens de spoorwegstaking van 1903 de strijd aan met de arbeidersklasse.
Het boek van Jeroen Koch, dat 600 bladzijden zal tellen en € 39,50 gaat kosten, is de eerste omvattende Kuyper-biografie sinds de katholieke diplomaat Piet Kasteel in 1938 zijn levensbeschrijving van de gereformeerde leider publiceerde. Ook de Amerikaanse hoogleraar James D. Bratt, verbonden aan Calvin College in Grand Rapids, werkt aan een biografie van Kuyper.

Eric van de Laar schift 30 jaar denken over arbeid

De eerste werkdag van het nieuwe jaar lijkt een uitstekend moment om na te denken over de betekenis van arbeid. De theoloog Eric van de Laar (1966) deed dat zo uitvoerig dat hij er volgende week maandag, 9 januari 2006, op kan promoveren aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Hij analyseerde christelijke publicaties die tussen 1970 en 2000 in Nederland verschenen over het thema arbeid, en doet verslag van zijn onderzoek in een boek met de ondoorgrondelijke titel Heresieën en orthodoxie in het publieke debat over arbeid (Maastricht, Shaker, 2005).
Wat hadden auteurs als Hans Pasveer, P.J. Roscam Abbing, Esther van der Panne, Paula Irik en Okke Jager en instanties en organisaties als de Nederlandse Bisschoppenconferentie, de Raad van Kerken, de Reformatorisch Maatschappelijke Unie en Eiba (Evangelie en Industrie en Bedrijfsapostolaat) de afgelopen dertig jaar te melden over thema's als werkloosheid, werkgelegenheid, de kwaliteit en betekenis van arbeid, het arbeidsethos en de levensstijl? Van de Laar beschrijft het niet alleen, hij zet de bijdragen ook in een zwaar theoretisch kader, waarvoor hij de probleemgeoriënteerde theologie van Franz Schupp en de kritische sociologie van Pierre Bourdieu gebruikt. En hij eindigt met een theoretische analyse en typologie van de verschillende christelijke bijdragen aan het debat over arbeid.
Van de Laar meent dat "voor een eigentijdse en constructieve deelname aan het publieke debat" christelijke idealen toegankelijk moeten zijn voor niet-religieuze gesprekspartners. Auteurs die een pleidooi hielden voor herwaardering en herverdeling van arbeid met op de praktijk toegesneden alternatieven, voldeden volgens Van de Laar aan dit criterium. Auteurs echter die pleitten voor het "herwinnen van de heelheid van arbeid" of voor het "herwinnen van de juiste christelijke instelling ten aanzien van arbeid", krijgen van Van de Laar een zware onvoldoende. Zij behandelden problemen als werkloosheid "als afwijking van een onveranderlijk, door God geopenbaard ideaal" en daardoor, meent Van de Laar, kenden ze aan hun ideaal "een absolute, niet voor discussie vatbare waarde" toe. En dat is volgens hem niet goed.
Meer ...

Kerkgeschiedenis in 2006

Wat een nieuw jaar brengen zal, weet niemand, maar historici en dus ook kerkhistorici weten één ding zeker: er komt steeds meer geschiedenis bij. De kerkhistorische agenda op deze site meldt nu al heel wat bijeenkomsten en evenementen die in 2006 op het programma staan. Maar liefhebbers van de kerkgeschiedenis hebben dit jaar voor het eerst ook de beschikking over een echte papieren agenda, die merkwaardig gespatieerd Kerk Historische Agenda 2006 heet. De agenda, uitgegeven door uitgeverij Boekencentrum in Zoetermeer, is samengesteld door de Rotterdamse protestantse emeritus-predikant L.J. Geluk. Bij elke dag worden een of twee gebeurtenissen of namen uit de wereldgeschiedenis, de kerkgeschiedenis of de Nederlandse geschiedenis vermeld. Voorrang is gegeven aan de geschiedenis van Reformatie en Réveil. De agenda heeft dus een duidelijk protestants karakter.
Het voorin opgenomen historisch jaaroverzicht met de herdenkingen in 2006 bevestigt dat. Als eerste wordt Polycarpus, de bisschop van Smyrna, genoemd die op 23 februari van het jaar 156 op hoge leeftijd om het christelijk geloof ter dood werd gebracht. Dat is dus 1850 jaar geleden. Maar daarna wordt een sprong gemaakt naar wat er 500 jaar geleden gebeurde, in 1506, toen Christophorus Columbus stierf en Juliana van Stolberg werd geboren. 450 jaar geleden, in 1556, werd Thomas Cranmer, de aartsbisschop van Warham, terechtgesteld en stierf de stichter van de orde van de Jezuïeten, Ignatius van Loyala.
Een aantal geboorte- en sterfdata zullen het komende jaar zeker niet ongemerkt voorbijgaan. In 1706 overleed de Hugenootse filosoof Pierre Bayle en werd in Schotland Alexander Comrie geboren. Ook de bekende doopsgezinde voorman Galenus Abrahamsz de Haan stierf dat jaar (op 19 april), maar dat vergeet de agenda te vermelden.
Willem Bilderdijk zag het levenslicht in 1756, 250 jaar geleden dus, maar de meeste aandacht zal ongetwijfeld uitgaan naar de Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer die op 4 februari 1906 werd geboren. Een congres gewijd aan zijn geestelijke nalatenschap, dat die dag in Apeldoorn wordt gehouden, staat al in de agenda op deze site.
1906 was ook het jaar dat de Gerefomeerde Bond in de toenmalige Nederlandse Hervormde Kerk werd opgericht. En vijftig jaar geleden overleden twee grote Nederlandse theologen die beiden doctor honoris causa - van Groningen en Utrecht respectievelijk - waren: Oepke Noordmans en Jan Gerrit Woelderink.
De redactie van deze website zal haar best doen om alle herdenkingen en alle andere gebeurtenissen op kerkhistorisch terrein die in 2006 komen, goed bij te houden.